zaterdag, oktober 04, 2008

Voer voor de biograaf van Rintje

Nou schreef ik een paar dagen geleden ter illustratie van een ander stukje over het hondje van Rintje Ritsma. Dat hondje heet Bef, zo meldde ik.

Nu blijkt dat er iets aan de hand is met dat hondje van Rintje Ritsma. Nou ja, niet zozeer met het hondje zelf, maar met zijn of haar naam. Het hondje heet namelijk niet Bef, maar Suske.

Bef/Suske verscheen in het nieuws bij de gelegenheid dat Ritsma zijn afscheid aankondigde. Om de pers een fotomomentje te gunnen schaatste hij op skeelers een paar rondjes over een baan in Biddinghuizen. Bef/Suske rende met hem mee over het asfalt en dat leverde leuke plaatjes op, die daags erop dan ook in alle media verschenen.

Het hondje op die foto’s heette Bef, zo vermeldden de bijschriften.

Maar dat blijkt dus bezijden de waarheid. Recordkampioen Rintje nóémt het beestje weliswaar Bef, het ding heet Suske. Dat bezwoer althans de vriendin van Ritsma in de coulissen van het persmoment.

Een paar dagen later schreef de Volkskrant dat Ritsma heus ook wel wist dat het hondje Suske heet, zo had hij verklapt. Om er luid de door hem gehanteerde naam op te laten volgen, wetende dat zijn vriendin hem gegeneerd zou corrigeren, schrijft de Volkskrant.

Dus, daar heb je het. Bef heet Suske maar Ritsma noemt hem Bef.

Ik vind dat alles nogal intrigerend. Het laat ruimte voor legio associaties, tal van vragen onbeantwoord.

Wie is eigenlijk die Marit, de vriendin van Ritsma? Wie stelde voor een hondje te nemen? Wat is er in vredesnaam met Bef/Suske voorgevallen? En vooral: waarom stopt Rintje Ritsma echt met schaatsen?

Daar moet de biograaf van Ritsma nog maar eens induiken. Regenjas aan, fansels.
.

dinsdag, september 30, 2008

Let je even niet op, valt ie om

En? De jongen die het vraagt doet net een stap op de roltrap als hij naast zich een bekende ontwaart. Achter die bekende sta ik. Het is avondspits, op de roltrap is het druk en ik kijk en luister gezellig mee. Zo zie ik een ING-pasje bungelen aan de broek van de jongen die de vraag heeft gesteld.

Hij vervolgt: Dit was het dagje wel, hè. Hij stelt het maar even vast, waarschijnlijk om de jongen voor mij aan te moedigen. De jongen kan zijn vaststelling alleen maar beamen. Ja, nou, zegt hij, en hij laat er een zucht op volgen. En nu?, gaat de eerste verder. De jongen zegt dat hij het ook niet weet. Ik vermoed dat hij bij ABN Amro werkt. Die bank is zojuist speelbal geworden.

Nee, nou ja, zegt de ING-jongen in een poging de dag te duiden. Het befaamde bloed door de straten, dat was ook wel even nodig. Nu doet hij overdreven ludiek, hopend dat het gesprek niet ongemakkelijk wordt.

We zijn inmiddels bovenaan de roltrap. De jongen van ABN bevestigt zijn gesprekspartner opnieuw, op een manier die doet vermoeden dat hij het helemaal niet zo nodig vond, dat befaamde bloed door de straten. Dan vervolgen de twee hun gesprek en loop ik de andere kant op.

Dit was gisteravond op Utrecht Centraal, aan het einde van een bizarre beursdag waarop bleek dat de crisis nu ook bij ons is geland. GROOTSTE VERLIES AEX INDEX SINDS 1987, hoofdletterde de NOS.

In de Verenigde Staten kreeg Bush zijn plan van 700 miljard dollar er niet doorheen. Het congres stemde tegen. Vreemd, want George W. had zijn plan nog wel zo goed onderbouwd, zo verklaarde hij na de stemming. We’ve got a big problem, so we came up with a big plan.

Bij ons was er vooral slecht nieuws voor Fortis. Die bank werd nog maar net behoed voor omvallen. En dat omvallen, dáár wilde ik het nou eens graag over hebben. Dat werkwoord is namelijk wat mij het meest bezighoudt aan deze crisis.

Want wat is dat toch, dat banken tegenwoordig omvallen? Dat woord slaat toch nergens op in dit verband? Ik ben overigens beslist niet de enige die dit vindt. Neem Jan Blokker, held van beroep. Hij schreef:

Als ongelukkigerwijs een bank in ernstige problemen komt, dan gaat zij over de kop, op de fles, naar de ratsmodee, de bliksem, de maan (of regelrecht god) – maar valt niet om.

Precies!

Omvallen, dat doen irritante voetballers, niet banken. Neem bijvoorbeeld Francesco Totti. Dat is een Italiaan die geweldig kan pingelen, maar je hoeft maar naar hem te kijken en hij valt om.

Als het aan mij ligt, valt er helemaal niets om. Alleen dominostenen. Daar komt de uitdrukking natuurlijk vandaan, maar voor banken is het woord simpelweg te lullig. Miljarden euro’s staan op het spel en iedereen heeft het maar over dat zachtaardige, goedmoedige omvallen. Alsof een paar mensen even de verkeerde kant op hebben gekeken.

Hé, jij zou toch op de bank letten? Nou sta je weer met je moeder te bellen en is de bank omgevallen. Hebben we dat weer. Ga de minister maar bellen.

Het is herfst, de banken vallen om.
.

donderdag, september 25, 2008

Als een drol in een badkuip

Het hondje van Rintje Ritsma heet Bef. Ik vind dat nieuws. Het is iets dat mij bezighoudt. Ik zag de drie letters vanochtend in de krant staan en merkte dat mijn hart een sprongetje maakte. Er is een kredietcrisis, maar Bef staat dus ook gewoon in de krant.

De kredietcrisis sluimert al een tijdje, maar ontwikkelt zich hoe langer hoe sneller tot een KREDIETCRISIS. De wereld is in rep en roer. We're in the midst of a serious financial crisis, our entire economy is in danger, aldus George W. Bush. America can slip into a major panic, voegde hij er aan toe.

Dit is volgens Bush een decisive moment. En daarmee is het officieel. Paniek in de tent.

Ik dacht altijd: bij een wereldschokkende gebeurtenis (Cubacrisis, Kennedy vermoord, Muur gevallen) wordt de wereld ineens voor iedereen helemaal anders. Dan beseft ook de buurvrouw: dit is wat, hier is iets aan de hand!

De Historische Gebeurtenis, ik stelde me altijd voor dat die levens zou beheersen. De levens van iedereen. Alles ontwricht. Iedereen in de ban van Dat Ding. De wereld tot stilstand gekomen.

Het suffe is nu dus dat dat helemaal niet het geval is. Nu met de kredietcrisis zoek ik naar die ene voorpagina, maar die is er niet. Er is niet dat moment waarop het ineens, pats boem, kredietcrisis is. We glijden er gewoon langzaam in, als een drol in een badkuip.

Ergens is dat jammer. Niet die ene kop in chocoladeletters voor mij. En het is ook raar. Omdat de wereld gewoon doordraait.

In feite verschijnt die ene krant met de onheilstijding elke dag opnieuw. En dan mag het historisch nieuws zijn, als je het leest zit je gewoon te ontbijten. De radio staat aan, je hapt wat in brood en je kijkt eens op je horloge.

Haal ik de trein nog? En wat staat er in over de wedstrijd van gisteren?

En we mogen dan met zijn allen in een diepe crisis zitten, je moet gewoon naar je werk. De supermarkt heeft gangmakers in de aanbieding. De krant staat vol met ander nieuws. Het hondje van Rintje Ritsma heet Bef.
.

zondag, september 21, 2008

Nummer 27281 zegt het zoals het is

Tien Engelse mijl. Zestien kilometer en een beetje. Vandaag was het tijd voor de Dam tot Damloop. Van Amsterdam naar Zaandam, voor mijn eigen eer en natuurlijk die van Headline.

Vanochtend al kon ik vaststellen dat mijn voorbereiding niet vlekkeloos was geweest. Naar zo’n evenement moet je toewerken en liefst de af te leggen afstand een paar keer in de benen hebben. Ik sjouw heus wel een eindje weg, maar meer dan ruim veertien kilometer had ik in mijn leven nog niet gelopen.

Toen ik in april hoorde dat ik vandaag mee zou doen, begon ik onmiddellijk fanatiek met trainen. Zo fanatiek, dat ik dat eind mei ook wel weer had gezien. Goedzo, inderdaad. Plan B: loopschoenen mee naar Frankrijk en in de laatste weken nog behoorlijk wat kilometers.

Er was een richttijd: een uur en vijftien minuten. Dat moest te doen zijn.

Poepen. Dat was vooraf mijn grootste angst. Als je gaat hardlopen zet je dingen in werking. Dat je net een eindje op weg bent en dat het dan begint te borrelen, dat heb ik wel eens gehad.

Repareren met enkele staaltjes flatulentie, dacht ik toen. Het mocht die dag niet baten. Mensen zeggen altijd dat je je lichaam moet ontspannen als je sport, maar daar kon geen sprake van zijn. Het waren aanspannende laatste meters naar huis. In een hoek van negentig graden haalde ik home base.

Op tijd. Vandaag had ik gelukkig nergens last van.

Volgende punt van loopzorg: ritme. Zonder ritme geen resultaat, luidt mijn filosofie. Onderweg van Dam tot Dam moest ik zorgen dat ik een lekker ritme te pakken kreeg. En dat dan volhouden. Op de laatste meters na waren de eerste meters daarom de lastigste: klaar voor een vliegende start, hobbelde ik minutenlang in een mensenmassa over de Prins Hendrikkade.

De navolgende IJtunnel bracht verlossing. Daar was ruimte. En daar waren ook al meteen heel veel hijgers; mensen die na vijfhonderd meter alweer zo buiten adem waren dat ze als dankbaar slalomobject konden fungeren.

Het was een mooie tocht, van Dam tot Dam. Veel orkesten en overal mensen, waarvan er veel vanuit hun tuin ook een muzikale bijdrage verzorgden. De één een Amsterdamse meezinger, de ander een strakke beat.

Dat het volksfeest dat men er her en der van maakte soms ook zorgde voor de geur van schraal bier en frituurvet, mocht de pret niet drukken.

Onderweg zag ik dikke mensen en dunne mensen, lange mensen en korte mensen, oude mensen en jonge mensen, allemaal in gevecht met zichzelf.

Mijn eigen worsteling met hoofd en benen bracht me na 1.12.30 uur op de Zaandamse Peperstraat. Daar maakte Janne rond 1.13.00 uur de foto hierboven. Na één uur, dertien minuten en eenentwintig seconden passeerde nummer 27281 de finish. Hijg.
.

vrijdag, september 19, 2008

De wreedheid van de eighties

In Utrecht organiseren ze, evenals in veel andere steden, regelmatig feesten die een decennium als thema hebben. Meestal wordt er gekozen uit een van twee decennia: de jaren tachtig en de jaren negentig.

De jaren tachtig omdat er toen zulke foute muziek gemaakt werd dat een herbeleving ervan meestal een prettig foute avond oplevert. De jaren negentig omdat er toen vette muziek gemaakt werd.

Ik ben altijd wel in voor een goeie nineties party. Fijn uit je plaat op lompe housebeats uit een tijd dat de veertig subgenres die nu bestaan allemaal nog moesten worden uitgevonden. En ook gewoon die strakke rock en hip of hop uit de eerste helft van dat decennium knalhard in je oren. Lekker.

Ondertussen heb ik heus geen disrespect voor eighties parties, hoor. Helemaal niet. Maar ik kan me goed voorstellen dat ze kampen met teruglopende klandizie. Alles wat ook iets met de jaren tachtig te maken heeft, staat tegenwoordig immers in een kwaad daglicht. Het is jarentachtigafrekentijd.

Het begon met Wijnand Duyvendak, die zich moest verantwoorden voor zijn actieverleden. Jacqueline Cramer was de volgende en de uitdijende inktvlek raakte uiteindelijk ook simpele burgers. Tegenwoordig moet zo ongeveer iedereen zich verantwoorden voor zijn eigen eighties.

Omdat ik voor van alles ben en transparantie en openheid daar onder vallen, doe ik bij deze heel eighties een boekje open over mijn jaren tachtig. Ik voel mij moreel verplicht. Trots op mijn actieverleden en mijn zonden in die periode ben ik niet, maar wat is gebeurd, dat is gebeurd. Het oordeel van de publieke opinie treed ik tegemoet met geheven hoofd.

Allereerst: het voetballen met Harm in de Eerste Oosterveldstraat. Onze gebrekkige balbeheersing had ons voorzichtig moeten maken, maar we waren roekeloos. Per verkeerde bal legde een dozijn viooltjes het loodje. Wij waren in een andere wereld, verliefd op de bal. We gingen gewoon door.

Schattingen lopen tegenwoordig uiteen. Lokale autoriteiten spreken van ‘enkele honderdtallen gesneuvelden’ en ‘een massaslachting’.

Er waren avonden dat ik zei dat ik mijn tanden had gepoetst, terwijl dat niet zo was. Ik had, rekening houdend met een controle van het gezag, alleen mijn mond gespoeld en de borstel nat gemaakt, en was daarna op bed gaan liggen, om daar vaak ook nog stiekem te lezen in een boek dat eigenlijk alweer bij de bibliotheek had moeten liggen.

Midden jaren tachtig heb ik eens een langpootspin al zijn poten uitgetrokken, iets wat ik in dit decennium (en de komende) niet meer zou durven. In mijn herinnering bleven de afgerukte pootjes nog even kronkelen op de stoeptegel, wat mijn plezier zeker vergrootte.

De wreedheid van de eighties.

En er is meer. Ik zag die medespeler wel vrijstaan, tussen de middag in groep 4 toen ik op de lat schoot. Ik had dus wel gesnoept voor het avondeten en ik kwam niet een half uur te laat thuis omdat mijn horloge stilstond.

Ik vond John van Loen een geweldige spits.
.

dinsdag, september 16, 2008

Babbelmoekes en een mannenbroeder

Ieder jaar vraag ik me hetzelfde af: wat zijn dat voor mensen, die afreizen naar Den Haag om er met Koninginnedag langs de kant van de weg te gaan staan, met hun oranje hoedjes, oranje shirtjes en oranje boa’s, om te kijken naar onze vorstin in een kar?

Ik spreek trouwens over mensen, maar het gaat in dit geval vooral over vrouwen. Geen carrièrevrouwen of vrouwen die zich anderszins afficheren als powerladies, maar mutsen van een verschrikkelijke soort. Libellelezende plastic tuinstoelzittende gezelligzeggende babbelmoekes.

We komen hier ieder jaar, zag ik een groepje van die mutsen juichen op tv.

Overigens zijn het niet alléén maar vrouwen natuurlijk. Langs de route die de Gouden Koets aflegt zitten en staan ook mannen. Eén mannenbroeder kwam ik tegen op NU.nl. De 57-jarige man kwam in de Hofstad ‘herinneringen ophalen’. Hij was er vijf uur voor opgestaan.

Ik las het en liet een traan. Waarom, vroeg ik mij af. Waarom in vredesnaam?

Om elf uur vanochtend was Den Haag al volgestroomd met Oranjefans. Daar moeten ook mensen bij hebben gezeten die er speciaal een vrije dag voor opnamen.

Je ziet het voor je. Een maandagochtend in februari en Hettie zit met de rooie vlekken in haar nek achter haar bureau. Ze hoopt maar dat het mag, want de rest van het groepje heeft al vrij en gaat sowieso.

Frits? Ik wilde je iets vragen. Mag ik vrij, de derde dinsdag van september? En de woensdag erop ook? Dan gaan we nakletsen bij Annie – ik neem dan altijd zelfgebakken appeltaart mee – en de oranje spullen naar zolder brengen en de foto’s laten ontwikkelen. Zo gezellig.

Maar het kan natuurlijk altijd erger. Als je bijvoorbeeld behoort tot een van de Nederlandse studentenweerbaarheden, dan sta je de derde dinsdag van september een dag lang in de houding langs de route. Met in je nek die kletsmachines.
.

maandag, september 15, 2008

Hossen zingen drinken lachen

Daar zit ik dan. Thuis. In Utrecht. Onder het raam stopte zojuist een stadsbus, maar verder is het rustig hier. Nog even dit stukje tikken en dan is het weer mooi geweest voor vandaag.

Deze situatie, ik in Utrecht en zo onder de wol, het bevalt me maar niks. Ik mag dan in Utrecht wonen, Grouster voel ik me ook nog steeds. En nu wil het geval dat heel veel Grousters het nog lang niet mooi geweest vinden voor vandaag. Heel veel Grousters gaan – en ik kan dit niet genoeg benadrukken – terwijl ik dit tik, knalhard uit hun plaat.

Ze dansen. Ze drinken. Ze maken er wat moois van. Want het is Grouster Merke.

En ik was er graag bij geweest in Grou. Ik had een prima weekeinde, daar niet van, met een tuinfeest op vrijdagavond en een barbecue op zaterdag, maar toch, de Grouster Merke, merk ik nu ik hem zomaar niet meemaak, daar moet ik gewoon bij zijn.

Voor mij begint de merke altijd pas op zondagavond, als de optocht voor de Stappersjûn zich in beweging zet. Dan is het een avond lang feesten en hossen, om vervolgens zo goed en zo kwaad als dat gaat de wekker te zetten, want maandagochtend wacht opnieuw een hele klus: matinee in de sporthal.

Dat is nog een keer hetzelfde, maar dan overdag. Feesten en hossen en een biertje of twee. Je komt eens iemand tegen, je zet je ene been voor de andere en weer terug, je bestelt nog eens wat, hartstikke gezellig.

Na het matinee verplaatst iedereen zich naar het centrum, want daar zijn de volksspelen. Spijkerpoepen, ringsteken, sumoworstelen, je kent dat wel. Mooi.

En dan, als dat ook is geweest, dan is het de kunst om vol te houden. De ervaring leert dat je tegen het einde van de merkemaandagmiddag een goed gevoel voor evenwicht moet hebben – wat juist dan best lastig kan zijn. Je moet namelijk de teugels laten vieren, even gas terugnemen, maar niet volledig in de rust gaan: dan ben je gezien. Dan ga je neer. KO. En dat wil je niet, want maandagavond moet je weer naar de sporthal, voor de finale.

En dus moet je een hapje eten en even zitten. Niet liggen. En dan weer hossen zingen drinken lachen.

De Grouster Merke is een mooi verhaal, ieder jaar weer. Voor mij dit jaar geen zicht op kruipende mensen in de hoofdstraat, geen zevensprong en evenmin een polonaise. En nu ik er zo over nadenk: ook geen natte maandagavondscheten in de sporthal. Die horen er namelijk ook bij.

Volgend jaar ben ik er weer bij.
.

woensdag, september 10, 2008

Mickey Rourke kijkt in de spiegel

Eens in de zoveel tijd besluit ik dat iemand een held is. Gewoon, omdat ik helemaal zelf bepaal wie mijn helden zijn. En omdat het leuk is te bedenken waarom iemand de heldenstatus verdient, zoals het ook leuk is je nog even om te draaien wanneer de wekker al is gegaan.

Deze week is het weer zover, Mickey Rourke is een held.

Voor wie niet weet wie Mickey Rourke is: Mickey Rourke is een acteur, bijna 52 jaar oud en beroemd geworden in de jaren tachtig. Begin jaren negentig ving hij nog een godsvermogen voor zijn rol in Harley Davidson and the Marlboro Man, snel daarna pakte hij zijn bokscarrière weer op. De laatste jaren was hij vooral in het nieuws door mislukte cosmetische operaties.

Nu is Mickey Rourke terug in de schijnwerpers. Voor zijn rol in The Wrestler kreeg hij in Venetië de Gouden Leeuw toegeschoven. In de film speelt Mickey Rourke een soort Rocky Balboa: een ouwe man die de ring maar weer instapt, omdat ie het anders ook niet weet.

De Gouden Leeuw voor een kleine film, het verhaal van de film zelf; de parallellen met het leven van Mickey Rourke zelf zijn gauw gelegd. Dat weet Mickey Rourke zelf natuurlijk ook. Ik heb me vijftien jaar op deze rol kunnen voorbereiden, zei hij in Venetië.

Goed gezegd, Mickey Rourke! Een lekker onbekommerde uitspraak waarmee je de angel uit de beeldvorming haalt. Wat Mickey Rourke namelijk tot held maakt: terwijl de hele wereld hem afschreef en zich vermaakte met zijn dramatisch vervallen uiterlijk, was Mickey Rourke zielsgelukkig. En hij is het nog steeds.

Met zichzelf en met zijn chihuahua’s.

Dat is knap. Tik ‘Mickey Rourke Plastic’ in op Google en je krijgt een indruk van de hordes mensen die zich hebben zitten verkneukelen om de mislukte aanpassingen die plastisch chirurgen deden aan zijn gezicht.

Aanpassingen die Mickey Rourke nodig vond na ladingen drank en sigaretten, en veel te vaak te laat naar bed. En natuurlijk die bokscarrière.

Na een paar gevechten vertelde zijn dokter hem midden jaren negentig dat zijn hersens aardig op appelmoes gingen lijken. Dokter zei: Mickey, how much are they paying you? Look at your tests - you won't be able to count the money. Mickey Rourke is behalve held ook niet dom: hij stopte met boksen.

Het is natuurlijk ook gewoon zo. Het gezicht van Mickey Rourke is een drama. Lijkt op een willekeurige muppet. Mickey Rourke is ook gevaarlijk veel gaan lijken op Joyce Wildenstein, een freak die bekendheid geniet als catwoman.

Ook Mickey Rourke heeft thuis natuurlijk internet. En spiegels. Dan kijkt ie en dan ziet Mickey Rourke zichzelf. En dan is Mickey Rourke dus gewoon gelukkig. En daarom is Mickey Rourke een held.
.

zondag, september 07, 2008

Door Alaska loopt één spoorlijn

Sarah Palin, de Republikeinse kandidate voor het vice-presidentschap, is de lieveling van de pers. Stuk voor stuk zijn de journalisten dol op haar. Als die namelijk ergens van houden, dan zijn het wel tot de verbeelding sprekende details. En daar loopt Palin van over. Een greep:

Ze jaagt graag; legt regelmatig een kariboe om. Pang. Haar man is kampioen sneeuwmobielracen. Ze houdt van elandburgers. Ze zette haar dienstvliegtuig op eBay. Ze was een beauty queen. Ze was sportverslaggeefster. Haar zoon heet Track.

En dan zijn er nog de details die politieke gevolgen kunnen hebben: ze staat onder verdenking van machtsmisbruik, ze sympathiseert met een partij die streeft naar een onafhankelijk Alaska, haar man is twintig jaar geleden veroordeeld voor rijden onder invloed, haar zeventienjarige dochter is vijf maanden zwanger.

Over dat laatste: op het NOS-Journaal hoorde ik daar een goede verklaring voor. In Alaska is voor jongeren niet zoveel te doen en het is er meestal gauw donker. En 1 + 1 = 2.

Maar wat eigenlijk het mooiste detail is, een enorm detail: ze komt uit Alaska. Alaska is een bizarre staat. Allereerst: het is gigantisch. De staat meet anderhalf miljoen vierkante kilometer, 1.481.347 m2 om precies te zijn. Omstreeks tweederde daarvan is natuurgebied (geen wonder dat Palin van jagen houdt).

Ondertussen woont er bijna niemand: ongeveer 650.000 mensen. Dat is minder dan één per vierkante kilometer. De hoofdstad, Juneau, is zo groot als pakweg Heerenveen. Als je in Juneau woont, overigens, dan ben je mooi klaar. Geen enkele weg leidt vanuit die plaats naar een andere stad, naar een ander land, of waar dan ook naartoe.

Door Alaska loopt één spoorlijn.

Ter vergelijking: Nederland meet ruim veertigduizend vierkante kilometer. Alaska is dus 36 maal zo groot als Nederland. Conclusie: in Alaska gebeurt nooit wat. Nooit.

De grap is: Barack Obama wordt constant verweten dat hij geen ervaring heeft. Nog niks meegemaakt, zegt McCain dan. Zelf is hij inmiddels 72, dus de 47-jarige Obama zou kunnen kaatsen dat McCain het meeste inmiddels wel heeft meegemaakt.

En nu komt McCain dus met Palin, Sarah Palin uit Alaska. Die staat die niet grenst aan één van de andere Verenigde Staten van Amerika. Die staat met die ene spoorlijn. Dat natuurgebied.

Als McCain mede dankzij of ondanks deze zet de strijd wint, dan is hij geniaal én een ontzettende lijpo. Dan is hij, zogezegd, knettergek.

Afgelopen week presenteerde Sarah Palin zich aan Amerika en de wereld. Hallo, ik ben een hockeymoeder, zei ze. Onder andere.
.

maandag, september 01, 2008

We zagen ze vliegen

Je kunt er verheven over doen. Proberen er een hoger doel aan te koppelen. Er een ideaal aan te verbinden. Het zien als een kleine schakel in een groots verband. Maar het is, all in all, natuurlijk gewoon ontzettend lekker, twee weken bijna niets aan de Franse zuidkust.

Bijna niets, dat is een wandeling naar het strand voor een strandwandeling. Slenteren naar de zee voor anderhalve schoolslag. Waden door het water, kijkend naar, nou ja, naar niets eigenlijk.

Het is met je hoofd op je handdoek, de zon brandend op je rug, je ogen gesloten en de wereld tot stilstand gekomen.

Ach, smeer jij nog even wat op mijn rug?

Ondertussen is het ook twee weken bijna niets au camping. Vrij naar René Froger: een eigen plek in de schaduw. En altijd iemand in de buurt waarmee ik lekker niets doen kon.

Die schaduw overigens hadden we te danken aan een rij strategisch geplaatste bomen. Maar terwijl ze ons uitstekend van dienst waren met schaduw, boden diezelfde bomen ook onderdak aan ware terroristen.

Systematisch namen enkele campingduiven onze tent onder vuur vanaf een goedgekozen tak. Zure bombardementen in afwisselende kleurstellingen waren het, uitgevoerd met akelige precisie en ijzeren discipline. Onze tent, uit het goede hout gesneden, gaf gelukkig geen krimp. En wij deden waarvoor we gekomen waren. Niets.

We zagen ze vliegen. Over de tent over het toiletgebouw. Omdat ze soms in een boom, en soms ook op een grindpad willen zijn.

Met regelmaat hoorden we dat geluid. Pets! Wisten we dat ze er weer waren. Pets! Ze opereerden in groepsverband. Pets! Het geluid van onze enige tegenslag die twee weken.

Al was er ook nog l’odeur. Ah, l’odeur!, riep de buurvrouw uit. In een redelijk vloeiende zin had ik haar even daarvoor gewezen op de lucht die vanuit hunner poubelle onze neuzen in zuchtte. Le mot juste, lucht, geur of stank, ik had er niet op kunnen komen.

L’odeur dus. Afkomstig uit de vieze luiers van Baptiste. Drie jaar nog maar en elke dag ontvanger van minstens zoveel tikken van vaderlief. Gezellig.

Was het buurman die sloeg tijdens het verblijf van het gezin Baptiste, dankzij het opvolgende oudere echtpaar waren wij aan de beurt. Van het zware parfum van mevrouw sloegen we iedere ochtend weer stijl achterover. Bonjour!
.

vrijdag, augustus 15, 2008

Een suffe blockbuster uit 1991

Een conflict op de Kaukasus en we kunnen maar niet bedenken wat we er nu van moeten vinden. Maar ja, wat wil je ook: er komen zoveel tegenstrijdige, verwarring zaaiende berichten uit Georgië.

De Russische regering vertelt een verhaal over terugtrekken en vluchtelingen helpen. De Georgische regering spreekt van oprukkende Russische tanks. Georgische media berichten over bruut optreden van de Russen. Russische media prijzen het nobele handelen van de Russische soldaten. En dan zijn er ook nog de Westerse media, die de ene keer een naar bericht bevestigen, een andere keer zo’n bericht ontkrachten, en vaak elkaar tegenspreken.

Verwarring alom. En dan zijn er ook nog de gruwelijke beelden. Zinloos geweld op grote schaal, aangestuurd door nationale regeringen. Met – niet alleen voor Nederland – als dieptepunt de dood van cameraman Stan Storimans.

We zijn het allemaal niet meer gewend.

We zijn schone oorlogen gewend. Heldere oorlogen. Aan de ene kant Goed, ondersteund door overleg, consensus en democratie. Aan de andere kant Kwaad, geschraagd door bruut geweld en algehele tereur.

We zijn precisiebombardementen gewend. Slimme bommen. Soldaten uitgerust met ladingen hightech. We zijn gewend aan oorlog, maar dan wel aan oorlog waarbij er geen ellende in je gezicht gaat zitten.

En nu is er ineens dat conflict in Georgië. De Koude Oorlog is terug. Roestige tanks rollen over modderige bergweggetjes. Een en al schimmigheid, testosteronbeleid en zinloos bloedvergieten.

Het lijkt op de plot van een suffe blockbuster uit 1992. Maar Stan Storimans is dus wel gewoon dood.

Het maakt onzeker. Maar één ding weten we nu wel: dat je het niet weet, wat er allemaal gebeurt in een oorlog. Wat er achter en voor de schermen allemaal wordt uitgespookt. Iedereen is in Georgië, maar niemand kan zeggen hoe het echt zit. Daardoor wordt ook in de media keihard oorlog gevoerd. Rusland, Georgië, Amerika, de Europese Unie, iedereen gaat er vol in.

Zelf zitten we ook in een oorlog. Dat is dan weer een schone oorlog. Uit Afghanistan komen nooit tegenstrijdige berichten. De Taliban hebben geen minister van Informatie en Media. Misschien is dat een reden.
.

woensdag, juli 30, 2008

Postbodes, voetballers en fietskoeriers

Fietskoerier, dat leek me wel wat. Dan keek ik een Amerikaanse film en dan racete door het beeld een blije kerel op een ontzettend stoere mountainbike van klant naar klant. Ik was een jaar of twaalf en ik dacht: een beetje fietsen op een toffe fiets, dat is niet verkeerd.

Mijn affectie voor het fietskoerierschap duurde meestal niet lang. De fietsende helden werden in de film steevast binnen tien minuten geschept door een terreinwagen gevuld met bandieten, die er vervolgens vandoor gingen met de buit – fietskoeriers vervoeren belangrijke spullen.

Bovendien realiseerde ik me al snel dat je als fietskoerier eigenlijk een soort veredelde postbode bent. Voetballer Danny Koevermans vindt dat een mooi beroep, en er zijn natuurlijk ergere dingen te bedenken, maar toch: postbode zijn is voor mij niet het gedroomde eindstation.

Ik denk ook dat er meer postbodes zijn die liever voetballer waren geweest, dan dat er voetballers zijn die liever postbode waren geweest. Dat is ook al een goede indicatie.

Nu ik er zo over nadenk: er zijn behoorlijk veel verschillen tussen voetballers en postbodes (voetballers maken hun meters in minder uren en verdienen een stuk beter), maar ook zat overeenkomsten.

Neem alleen het bekende postbodevoetbal. Of het feit dat voetballers graag golfen. Dat is ook met een karretje van hot naar her wandelen. Of neem anders Berry van Aerle. Need I say more?

Hoe dan ook, als fietskoerier mag je dan een veredelde postbode zijn, dat wil nog niet zeggen het een droombaan is. Het is heus niet alleen maar lekker op de fiets zitten. Allesbehalve. Je moet nu en dan van je fiets af, om jezelf met klotsende oksels, druipend, lekkend en gutsend van het zweet terug te vinden tegenover een suf mens achter een balie.

Hoi, ik heb een pakketje voor ene meneer Fred, zeg je dan. Waarop je hoort: Oké, doei! Zo gaat dat in het leven van een fietskoerier, de hele dag door.

En dan heb ik het nog niet over al die mensen die aan je vragen: En, kun je het nog een beetje bijfietsen?

Vermoedelijk was de fietskoerier die ik onlangs passeerde ook tot de conclusie gekomen dat zijn baantje niet alles was. Met zijn helm scheef op zijn kop en in een fletse outfit zuchtte hij mij voorbij in een te zware versnelling. Het zweet gutste uit alle poriën van zijn vadsige lijf.

Dit was niet het soort fietskoerier dat ik vroeger voor ogen had. Hij was vast ook niet het soort fietskoerier dat hij zelf voor ogen had, toen hij voor dit baantje werd gepolst. Maar goed, als ie zo door bleef peddelen, dan kon dat misschien nog komen.
.

dinsdag, juli 22, 2008

Veertig kilo hypocrisie: nooit lang leuk

Donderdagochtend werd Riccardo Ricco uit de Tour de France gehaald. Epo gebruikt. Een paar honderd journalisten en drie gendarmes klopten aan bij de bus van zijn ploeg en toen werd hij meegenomen.

Daar kon je op wachten, hoorde je her en der zeggen toen bekend werd dat een van de grootste blikvangers van de Tour de France betrapt was op dopinggebruik.

Je kon er ook niet op wachten. Het is immers ongelooflijk dat er in het opgejaagde peloton nog steeds figuren rondfietsen die blijven gebruiken, terwijl ze weten dat ze intensief worden gecontroleerd. Het is ook bizar dat ze op hun hotelkamer doodleuk spullen hebben liggen waar een gemiddeld Afrikaans ziekenhuis jaloers op zou worden.

Onbegrijpelijk, maar ze doen het dus toch.

De wielerwereld is een verziekte bende. Het is een wonder dat er nog bedrijven zijn die hun naam aan de Tour of een wielerploeg willen verbinden. Een wonder dat ze nog miljoenen steken in gegarandeerde imagoschade. En het is al helemaal een groot wonder dat de drommen mensen nog steeds langs de weg staan.

Zelfs ik ben al bijna afgehaakt. Dat zegt wel wat, want ik ben in dat soort dingen een tamelijk stugge volhouder. In een vorig wielertijdperk bleef ik voor Miguel Indurain, ook al reed ie voor de zoveelste keer met dezelfde grimas naar weer een Touroverwinning.

Ik bleef ook altijd voor Michael Schumacher, ook al was ie arrogant en soms onsportief op weg naar een titel 513 in een saai kampioenschap. En ik blijf voor Roger Federer, ook als ie alles al tien keer heeft gewonnen.

Maar dat fietsen, daarbij sta ik op het punt van afhaken. Ik geniet er niet meer van. Dopingkoning Bjarne Riis stampte vroeger volledig gedrogeerd als een dolle de berg op, en stapt nu rond als een groot tacticus. Alle renners – mannetjes van veertig kilo – die verontwaardigd reageren bij de zoveelste ontmaskering.

Er is nog een ding waar ik wel van geniet: het jagende peloton, dat tegen het einde van een etappe de sprinters in stelling wil brengen. Erg mooi vind ik dat.

Ongeveer 150 renners verworden samen tot een machtig, nerveus en ongecontroleerd organisme. Individuele renners bestaan niet meer, iedereen moet mee. Stuur aan stuur en schouder aan schouder rammen ze richting finish, vaak over straten waar je eigenlijk niet zo hard fietsen kunt. Straten waar de maximaal toegestane snelheid een stuk lager ligt dan de vliegende vaart van het peloton.

Op zulke momenten is het peloton een intens beest dat ik vanaf de bank graag op me af zie stormen. Maar dan wordt er gefinisht en denk ik al gauw weer aan de hematocrietwaarden van de renners, die zorgt voor een sterk verhoogde hypocrietwaarde van de Tour zelf.

Even later verschijnt Riis in beeld. This morning I told the boys this would happen. Doei.

woensdag, juli 16, 2008

Een pinda, een pinda, waarom neem je niet nog een pinda?

Dat je als zwangere vrouw niks mag is algemeen bekend. Je mag niet naar de sauna, niet de kattenbak verschonen en ook niet al te veel koffie drinken. Er is eigenlijk maar weinig dat wel mag: wachten tot het moment daar is om te baren, dat mag.

Ben je daar al mooi klaar mee, als zwangere vrouw, nu blijkt dat je ook geen pinda’s mag eten. Niet als je je kind wilt vrijwaren van astma tenminste. Inderdaad, zwanger + pinda = astma. Dat is wetenschappelijk onderzocht én het staat in de krant. Dus het is zo.

Kans op astma door pinda’s, noodklokt de kop. In het artikel wordt ook pindakaas genoemd (Calvé overweegt stappen en heeft het juridische team teruggeroepen van vakantie, de Chef Pinda is op zijn vakantieadres beschikbaar voor de pers), dus naar verwachting zijn voortaan ook pindakoeken, pindasaus en M&M’s taboe.

Daar word je natuurlijk niet blij van, als zwangere vrouw. Waren die hippe feestje altijd al een ramp zonder drank, sigaretten en een schone kattenbak, nu moet je ook nog die occasional graai in de schaal met noten laten. Dat is gewoon naatje.

En niet alleen zwangere vrouwen worden getroffen. Het nieuws heeft geleid tot onrust in de notenindustrie. Pindaproducenten en fabrikanten van borrelnoten, Japanse mixzakjes en notenmelanges vrezen de verwachte instortende vraag naar pinda’s onder zwangere vrouwen. Niet voor niets rept het artikel van ‘intensief pinda-etende moeders’.

Zwangere vrouwen vormen voor ons een belangrijke bron van inkomsten, verduidelijkt de woordvoerder van Pindalicious. Als je ziet wat er in die negen maanden naar binnen wordt gewerkt! Zonder zwangere vrouwen krijg ik geen dertiende maand.

Het Astmafonds twijfelt of de jaarlijkse pinda-actie moet doorgaan. Vooral de slogan ‘Een pinda, een pinda, waarom neem je niet nog een pinda, of anders een heel zakje?’ zou zwangere vrouwen met een tekort aan pinda in het verkeerde keelgat kunnen schieten.

Belangenverenigingen van zwangere vrouwen maken zich zorgen. Men vraagt zich af waarom het pindagevaar pas nu in zijn volle omvang duidelijk wordt. Samen met verschillende foetusgroeperingen wordt de regering gevraagd dit tot op de bodem uit te zoeken.

Belangenvereniging Redelijk Simpele Zwangere Vrouwen bereidt juist een kort geding voor dat moet leiden tot vernietiging van de onderzoeksresultaten. Een en ander is ingegeven door het comment van ‘Zwangoniempje’ op een webforum: Geen pinda’s meer? Wat moeten we dan in vredesnaam eten als er alleen nootjes in huis zijn en er niks op tv is? En nu zijn het de pinda’s maar wat volgt nog? Spekkies? Hagelslag?

Naast het kort geding wordt een bodemprocedure tegen de wetenschap als geheel voorbereid. Een woordvoerster van Redelijk Simpele Zwangere Vrouwen (uitgerekend over drie maanden): Al die dingen die niet meer mogen, dat komt alleen maar door die onderzoeken. Hetzelfde met het rookverbod. Het wordt tijd dat die wetenschappers niet meer zomaar alles mogen onderzoeken.

Aldi en Lidl melden dat er niks aan de hand is. In hun zakjes pinda’s heeft nog nooit een gram pinda gezeten.
.

dinsdag, juli 08, 2008

Homo video, de filmende mens

De allergrootste ben ik niet. Met 1.80 meter ben ik nou ook weer niet de allerkleinste, maar in grote menigtes sta ik toch al gauw tegen schouderbladen en ongeschoren nekken aan te kijken. Zo ook vorige dinsdag, tijdens het geniale concert van Radiohead in het Amsterdamse Westerpark.

Dat is geen probleem, vooral niet als je tactisch blijft schuifelen. Vervelender zijn bij zulke gelegenheden al die mensen die de helft van de tijd een telefoon of fototoestel boven hun hoofd houden om alles te kunnen filmen.

Ik heb er niet eens echt last van, maar ik snap het gewoon niet. De hele tijd staan ze naar dat kleine schermpje te kijken of de handel er wel een beetje goed op komt. Ondertussen missen ze alles waarvoor ze zijn gekomen.

Bijzondere gebeurtenissen, alledaagse dingen, iedereen filmt alles. Ik ervaar op dat gebied nog een beetje een drempel en ben daarmee blijkbaar de laatste. Neem nou woensdag, toen het zo regende. Ik had dat meisje kunnen filmen. Ze stond naast haar fiets toen vlak langs haar een auto door een enorme plas reed. Witheet was het meisje. En zeiknat.

Ik had even later ook die jongen kunnen filmen. Hij zat op zijn fiets met een helblauwe poncho om. Om zijn broek ook droog te houden, had hij de punten van het ding vast, op het stuur. Toen ik hem passeerde gutste net het reservoir aan water dat zich vlak voor hem had verzameld over zijn broek en schoenen.

Had een leuk filmpje kunnen worden.

Eén keer kwam ik onlangs echt in de verleiding, twee weken geleden op station Amsterdam Zuid. De roltrap naar boven was stuk: alleen via de lift of met de trap aan de andere kant van de stationshal kon je boven op het perron komen. Ik was naar boven gelopen en stond naast het trapsgat toen ik naast me een hoop geklik en geklak hoorde.

Het waren de hakken van een mevrouw, blijkbaar op de hoogte van lift noch trap. Vinnig probeerde ze boven te komen via de naar beneden gaande roltrap. Boven stond een groeiend publiek geamuseerd toe te kijken hoe mevrouw halverwege geen progressie meer boekte en als een cavia in een tredmolen op die roltrap omstapte.

Klik klak klik klak, en ze kwam geen centimeter dichter bij haar doel.

Uiteindelijk slaakte ze een diepe zucht, waarop de monteur haar wees op de trap verderop. Ik stopte mijn telefoon weer in mijn broekzak.

vrijdag, juni 20, 2008

En maar wachten tot de scheids fluit

Dus die Duitsers staan in de halve finale. Het is meer dan terecht, want de Portugezen waren even vergeten dat je Duitsland alleen verslaat als je ze als team tegemoet treedt, maar toch: wat een ellende.

Thumbs up naar onze Oosterburen hoor, daar niet van. Je hebt zat mensen die alles wat Duits is nog immer verwensen, enkel en alleen omdat het Duits is. Tot die groep reken ik mezelf niet, al maakt Bastian Schweinsteiger de verleiding groot.

Dat haar! Die tronie! Dat hoofd ins algemeine! Laat ik het zo zeggen: als ik met het bord op schoot zit en Bastian Schweinsteiger wandelt door het beeld, dan ben ik uitgegeten.

Maar toffe lui, die Duitsers. En prima kerels ook, in dat nationale elftal. Ook goed: de kledij van de technische staf. Aan alles is gedacht, van de op maat gemaakte zwarte broeken en de hippe witte overhemden tot de sympathieopwekkende zweetplekken onder de oksels. Dik voor mekaar.

Toch vind ik het een aanfluiting dat de Duitsers hun kwartfinale hebben gewonnen. Die ploeg, dat is gewoon een en al afzichtelijkheid. Aan het EK doet iedere ploeg vooral mee om te winnen, maar als ik voor de tv zit, dan wil ik gepassioneerde aanvalsgolven zien. Messscherpe uitbraken en vleugelverdedigers met het snot voor de ogen, uitgeput door onophoudelijke rushes langs de zijlijn.

Voetbalploegen moeten zijn zoals Ireen Wüst: er vol voor gaan en wel zien waar het schip strand.

Duitsland is in niks Ireen Wüst. Duitsland is Rintje Ritsma. Ze prikken er eentje in en gaan dan rekenen. Aanvallers staan in de eigen zestien, verdedigers beuken ballen de tribunes in. En dan maar wachten tot de scheids fluit voor het einde. En niemand weet wat de Duitse verdedigers doen, maar de aanvallers van de tegenpartij presteren niks.

Zo gaat het en ik kan er maar moeilijk naar kijken.

Zelf zijn de Duitsers natuurlijk ontzettend blij met hun spel. Door het dolle heen na opnieuw een gestolen doelpunt. Drie keer gescoord, hoezo geen spektakel?

Het ergste van alles is dat de Duitsers door de gewonnen kwartfinale nóg een wedstrijd mogen spelen. Dat is dan de halve finale en daar ga je dan toch weer voor zitten, om precies eenzelfde avond te beleven.

Het is niet leuk, het is niet mooi en het is niet hoe voetbal is bedoeld, maar het is wel hoe het gaat.

Tijdens het EK houdt de organisatie in de stadions de sfeer erin met Seven nation army van The White Stripes. Steeds weer knettert het heerlijke nummer over de tribunes. Gisteravond versloeg Duitsland Portugal in de kwartfinale. De bassloop van Seven nation army was het enige dat de uitzinnige Duitse supporters wisten te verzinnen. Dat zegt alles.

Het windjack Gods

Of ik wel eens gok, vroeg de man. Ik zat op een stationsbankje en hij kwam naast me zitten. In zijn handen zag ik een foldertje. Lot uit de loterij, stond erop, en ik had nog niks in de gaten.

Ik beantwoordde zijn vraag en vertelde hem dat ik vrijwel nooit gok. Hij bestudeerde zijn blaadje eens, en nog eens, en zei toen quasi-verbaasd: Oh, kijk. Bedoeld wordt niet letterlijk een lot uit de loterij, maar dat in je leven iets kan gebeuren waardoor je erg gelukkig wordt.

Tja, toen voelde ik natuurlijk nattigheid. Terecht, zo bleek: het was een rasechte propagandist voor God, en hij had mij als eenzame reiziger op het station uitgezocht om zalvend te overreden een gesprek aan te gaan met God, of hoe noemen ze dat.

Niet lang na zijn zogenaamde verwondering over het foldertje, speelde hij al open kaart. We hebben het toch maar mooi, hier op Aarde. Maar vraag je je ook wel eens af of dat álles is? Het zou toch raar zijn als er niet meer zou zijn dan dit, vind je niet? Geloof jij dat er meer is?

Ik kon zijn gedachtegang goed volgen: zeker weten dat er meer is dan argeloze reizigers lastigvallen! Maar tegelijkertijd: héél veel meer is er ook niet, dus ik antwoordde van nee.

Daar had hij op gerekend. Ik had hier namelijk te maken met een goed getrainde strijder. Eindeloze rollenspellen moet meneer hebben gespeeld en talloze online cursussen gevolgd, alles ter voorbereiding op zijn belangrijke taak: goddeloze reizigers het licht laten zien.

Het ultieme einddoel van al die arbeid is natuurlijk de hemel, maar zo’n man moet voor God toch zijn wat die iets te sympathieke postbode voor anderen is: heel erg sympathiek dat ie altijd zo opgewekt blijft doorratelen, maar mag het ietsje minder? Als ik God was zou ik me ook afvragen of dat nou wel het beste campagnemiddel is, zo’n pratend mannetje in een windjack.

Het zijn overwegingen waar mijn bekeermeneer waarschijnlijk nog nooit over heeft nagedacht. Geheel volgens zijn uitgestippelde strategie zette hij een joker in. Mensen denken dat de evolutietheorie bewezen is, maar dat is niet zo. Het is een theorie. Die kan net zo goed helemaal niet waar zijn.

In één adem door haalde hij ook de oerknal erbij. Zo’n oerknal, ik denk dan aan chaos, wanorde. Uit zo’n knal kan toch niet zo’n wonderlijke en gestructureerde wereld ontstaan? Hier doelde hij op de bloemen en de planten, en op de schepselen Gods.

Hij ging verder: Daar moet toch een plan achter zitten? Dat kan toch niet zomaar zo zijn? Ik gaf geen krimp. Hij gooide zijn ultieme troef in de strijd. Intelligent Design, wat vind je daar dan van? Hij boog zich enigszins naar me toe. Zijn windjack ritselde vervaarlijk. Maar zoals gezegd: ik gaf geen krimp.

dinsdag, juni 10, 2008

De verovering van een scepticus

Tien over zes in de avond. Maandag 9 juni 2008. Je fietst van werk naar station. Een lange dag was het, en nu denk je aan de wedstrijd. Straks begint het. Een man in pak fietst voorbij. Zou hij er aan denken? Zou hij al met de wedstrijd bezig zijn? Een meisje laat de hond uit. Zou zij vanavond kijken?

Half zeven. Je zit in de trein (zouden zij er al aan denken?) en leest over de wedstrijd. Italië is regerend wereldkampioen. Decennia geleden wonnen we voor het laatst van ze. Je denkt aan het team. Scepsis. Je zult wel zien.

Acht uur. Je fietst door de stad. De nuchterheid overheerst. Zelfbescherming. Niet te veel verwachten. Dan zie je overal oranje. Het loopt en het fietst. Het besmet je. Verwachting hangt in de lucht. Je voelt het. Opeens zit je er middenin.

Twintig voor negen. De volksliederen worden gespeeld. Grappen worden gemaakt. Je zit er klaar voor. Iedereen zit er klaar voor.

Tien uur. Er wordt bijna afgetrapt voor de tweede helft. In de hoek van het beeldscherm zie je de tussenstand: 2-0 voor. Ongelofelijk, geweldig. En niet eens ontrecht. Tegelijkertijd: Italië blijft de wereldkampioen. Eén goal en het wordt billenknijpen. Zo is het.

Twintig voor elf. Het is echt waar. 3-0 gewonnen. Van Nistelrooij, Sneijder en Van Bronckhorst. De wereldkampioen verslagen. Wat een wedstrijd. Je denkt aan je gevoelens een paar uur eerder. Je denkt aan de onwerkelijkheid. En de ouders van Khalid Boulahrouz.

Tien over elf. Nabeschouwing. Jack van Gelder zegt meneer Van Basten. Spelers glimlachen bescheiden. Buiten rijden auto’s toeterend door de straat. Engelaar schuift aan. De stem van Barry White. De rust van Clarence Seedorf. Wat een held.

Vijf over twaalf. De uitzending is afgelopen. Een buurvrouw staat op straat. Bier en tieten!, schreeuwt ze. Het was een mooie avond. Het toernooi is begonnen.

vrijdag, juni 06, 2008

Alle helden vallen van hun voetstuk

Michael Johnson leverde deze week zijn gouden medaille in. Het is niet zijn enige gouden medaille, hij won er in totaal vijf, maar toch: een genereus gebaar.

In 2000 won hij met de Amerikaanse sprintploeg de gouden plak op de 4 x 400 meter. Over 400 meter was hij in dat jaar in zijn eentje ook de snelste. Nu al zijn teamgenoten van toen zijn ontmaskerd als dopinggebruikers, doet hij vrijwillig afstand van de besmette estafettemedaille.

Je kunt dat niet anders dan nobel vinden. Maar natuurlijk sluipt de gedachte naar binnen dat het hypocriet is. Hoeveel topsprinters zijn de afgelopen jaar niet in verband gebracht met doping?

De aanval is de beste verdediging, en dat zou ook kunnen gelden voor de actie van Johnson. Hij levert één van de vijf in een toont zich moreel superieur. Als het zo moet, dan hoeft hij die medaille niet meer.

Wat nu te denken? Je bent onschuldig tot het moment dat je schuld is bewezen. Michael Johnson is een echte sportheld. Alle sporthelden vallen vroeg of laat van hun voetstuk.

Prestaties bezorgen sporthelden overigens maar voor de helft hun status. Voor de andere helft zorgt het verhaal. Zonder verhaal geen sportheld. En bij Michael Johnson hoort een verhaal: hij is de man die – terwijl hij iedereen eruit liep – achterover leek te vallen.

Je keek er naar en je was onder de indruk, zoals ik dat ook was van Ben Johnson (dopingzondaar), toen die in 1988 Carl Lewis (verdacht) eruit liep. Nu moet je opletten, zei heit. Startschot, krachtsexplosie, wereldrecord.

In de slow-motion danste een gouden kettinkje op de opgepompte spieren van Johnson. Verhaal geboren.

Michael Johnson had er ook voor kunnen kiezen om zijn medaille niet in te leveren. Omdat hij geen doping heeft gebruikt. Of omdat hij simpelweg de snelste onder de snuivers was.

Sowieso: heeft iemand ooit zijn medaille ingeleverd? Niet al die Oost-Duitse atletes die stijf van de steroïden plak na plak binnensleepten. Die zitten er nog steeds verguld naar te staren, terwijl ze hun rug nog eens laten scheren nadat ze thuis zijn gekomen na een dag staal buigen in de fabriek.

Niemand levert vrijwillig een medaille in. Iedereen is verdacht. Alle helden vallen van hun voetstuk. Maar je moet ergens een streep trekken. Michael Johnson blijft een sportheld.

woensdag, juni 04, 2008

Hun tijd niet eens heel ver vooruit

Als je deze foto ziet, dan denk je toch allereerst: zo, daar zit de Oranjestemming er al aardig in! Het kan maar loos gaan, in Oostenrijk en Zwitserland.

Maar dit zijn natuurlijk leden van de Indianenstam die onlangs werd ontdekt. Hun bestaan werd vermoed, maar geen mens had ze ooit nog gezien. Tot vorige week. De Dow Jones verkeerde in rustig vaarwater, Feyenoord kocht in Zuid-Afrika de zeventienjarige Kermit Erasmus, in Nederland ontstaat discussie over embryoselectie. En Indianen in Brazilië hebben voor het eerst contact met de buitenwereld.

Het blijft een bizarre gedachte: de mensen op de foto hebben misschien nog nooit contact gehad met een andere beschaving, totdat ze werden gefotografeerd vanuit een vliegtuigje, door een instantie die opkomt voor hun belangen. Fototoestel, vliegtuig, fotograaf, die Indianen hebben géén idee!

Laat staan dat ze weten dat er samenwerkingsverbanden zijn om hun voortbestaan te waarborgen.

Het vliegtuigje werd beschoten met pijlen maar kon zijn reis vervolgen.

Wij pakken de zaken al een tijdje anders aan. We hebben een lichtje in de koelkast en elektrische tandenborstels. We kopen fruit voorgesneden in een plastic bakje met een vorkje erbij. En we hebben politieke partijen voor onder andere dieren en pedofielen.

De reactie bij zo’n ontdekking is altijd: jeetje, wat lopen die lui een eind achter. Maar het is maar de vraag of dat echt zo is. In West-Europa denken we altijd dat het Midden-Oosten ‘nog’ islamitisch is. Omgekeerd denken ze daar dat wij nog seculier zijn. Beide denken dat de ander op termijn de eigen kant op komt.

Zo kun je ook redeneren dat de Indianen in Brazilië verder zijn dan wij. De poolkappen smelten, de olie raakt op, de gemoederen raken verhit. Misschien staan we straks allemaal met pijl en boog voor ons hutje, te schieten op al wat er voorbij vliegt.