woensdag, juli 30, 2008

Postbodes, voetballers en fietskoeriers

Fietskoerier, dat leek me wel wat. Dan keek ik een Amerikaanse film en dan racete door het beeld een blije kerel op een ontzettend stoere mountainbike van klant naar klant. Ik was een jaar of twaalf en ik dacht: een beetje fietsen op een toffe fiets, dat is niet verkeerd.

Mijn affectie voor het fietskoerierschap duurde meestal niet lang. De fietsende helden werden in de film steevast binnen tien minuten geschept door een terreinwagen gevuld met bandieten, die er vervolgens vandoor gingen met de buit – fietskoeriers vervoeren belangrijke spullen.

Bovendien realiseerde ik me al snel dat je als fietskoerier eigenlijk een soort veredelde postbode bent. Voetballer Danny Koevermans vindt dat een mooi beroep, en er zijn natuurlijk ergere dingen te bedenken, maar toch: postbode zijn is voor mij niet het gedroomde eindstation.

Ik denk ook dat er meer postbodes zijn die liever voetballer waren geweest, dan dat er voetballers zijn die liever postbode waren geweest. Dat is ook al een goede indicatie.

Nu ik er zo over nadenk: er zijn behoorlijk veel verschillen tussen voetballers en postbodes (voetballers maken hun meters in minder uren en verdienen een stuk beter), maar ook zat overeenkomsten.

Neem alleen het bekende postbodevoetbal. Of het feit dat voetballers graag golfen. Dat is ook met een karretje van hot naar her wandelen. Of neem anders Berry van Aerle. Need I say more?

Hoe dan ook, als fietskoerier mag je dan een veredelde postbode zijn, dat wil nog niet zeggen het een droombaan is. Het is heus niet alleen maar lekker op de fiets zitten. Allesbehalve. Je moet nu en dan van je fiets af, om jezelf met klotsende oksels, druipend, lekkend en gutsend van het zweet terug te vinden tegenover een suf mens achter een balie.

Hoi, ik heb een pakketje voor ene meneer Fred, zeg je dan. Waarop je hoort: Oké, doei! Zo gaat dat in het leven van een fietskoerier, de hele dag door.

En dan heb ik het nog niet over al die mensen die aan je vragen: En, kun je het nog een beetje bijfietsen?

Vermoedelijk was de fietskoerier die ik onlangs passeerde ook tot de conclusie gekomen dat zijn baantje niet alles was. Met zijn helm scheef op zijn kop en in een fletse outfit zuchtte hij mij voorbij in een te zware versnelling. Het zweet gutste uit alle poriën van zijn vadsige lijf.

Dit was niet het soort fietskoerier dat ik vroeger voor ogen had. Hij was vast ook niet het soort fietskoerier dat hij zelf voor ogen had, toen hij voor dit baantje werd gepolst. Maar goed, als ie zo door bleef peddelen, dan kon dat misschien nog komen.
.

dinsdag, juli 22, 2008

Veertig kilo hypocrisie: nooit lang leuk

Donderdagochtend werd Riccardo Ricco uit de Tour de France gehaald. Epo gebruikt. Een paar honderd journalisten en drie gendarmes klopten aan bij de bus van zijn ploeg en toen werd hij meegenomen.

Daar kon je op wachten, hoorde je her en der zeggen toen bekend werd dat een van de grootste blikvangers van de Tour de France betrapt was op dopinggebruik.

Je kon er ook niet op wachten. Het is immers ongelooflijk dat er in het opgejaagde peloton nog steeds figuren rondfietsen die blijven gebruiken, terwijl ze weten dat ze intensief worden gecontroleerd. Het is ook bizar dat ze op hun hotelkamer doodleuk spullen hebben liggen waar een gemiddeld Afrikaans ziekenhuis jaloers op zou worden.

Onbegrijpelijk, maar ze doen het dus toch.

De wielerwereld is een verziekte bende. Het is een wonder dat er nog bedrijven zijn die hun naam aan de Tour of een wielerploeg willen verbinden. Een wonder dat ze nog miljoenen steken in gegarandeerde imagoschade. En het is al helemaal een groot wonder dat de drommen mensen nog steeds langs de weg staan.

Zelfs ik ben al bijna afgehaakt. Dat zegt wel wat, want ik ben in dat soort dingen een tamelijk stugge volhouder. In een vorig wielertijdperk bleef ik voor Miguel Indurain, ook al reed ie voor de zoveelste keer met dezelfde grimas naar weer een Touroverwinning.

Ik bleef ook altijd voor Michael Schumacher, ook al was ie arrogant en soms onsportief op weg naar een titel 513 in een saai kampioenschap. En ik blijf voor Roger Federer, ook als ie alles al tien keer heeft gewonnen.

Maar dat fietsen, daarbij sta ik op het punt van afhaken. Ik geniet er niet meer van. Dopingkoning Bjarne Riis stampte vroeger volledig gedrogeerd als een dolle de berg op, en stapt nu rond als een groot tacticus. Alle renners – mannetjes van veertig kilo – die verontwaardigd reageren bij de zoveelste ontmaskering.

Er is nog een ding waar ik wel van geniet: het jagende peloton, dat tegen het einde van een etappe de sprinters in stelling wil brengen. Erg mooi vind ik dat.

Ongeveer 150 renners verworden samen tot een machtig, nerveus en ongecontroleerd organisme. Individuele renners bestaan niet meer, iedereen moet mee. Stuur aan stuur en schouder aan schouder rammen ze richting finish, vaak over straten waar je eigenlijk niet zo hard fietsen kunt. Straten waar de maximaal toegestane snelheid een stuk lager ligt dan de vliegende vaart van het peloton.

Op zulke momenten is het peloton een intens beest dat ik vanaf de bank graag op me af zie stormen. Maar dan wordt er gefinisht en denk ik al gauw weer aan de hematocrietwaarden van de renners, die zorgt voor een sterk verhoogde hypocrietwaarde van de Tour zelf.

Even later verschijnt Riis in beeld. This morning I told the boys this would happen. Doei.

woensdag, juli 16, 2008

Een pinda, een pinda, waarom neem je niet nog een pinda?

Dat je als zwangere vrouw niks mag is algemeen bekend. Je mag niet naar de sauna, niet de kattenbak verschonen en ook niet al te veel koffie drinken. Er is eigenlijk maar weinig dat wel mag: wachten tot het moment daar is om te baren, dat mag.

Ben je daar al mooi klaar mee, als zwangere vrouw, nu blijkt dat je ook geen pinda’s mag eten. Niet als je je kind wilt vrijwaren van astma tenminste. Inderdaad, zwanger + pinda = astma. Dat is wetenschappelijk onderzocht én het staat in de krant. Dus het is zo.

Kans op astma door pinda’s, noodklokt de kop. In het artikel wordt ook pindakaas genoemd (Calvé overweegt stappen en heeft het juridische team teruggeroepen van vakantie, de Chef Pinda is op zijn vakantieadres beschikbaar voor de pers), dus naar verwachting zijn voortaan ook pindakoeken, pindasaus en M&M’s taboe.

Daar word je natuurlijk niet blij van, als zwangere vrouw. Waren die hippe feestje altijd al een ramp zonder drank, sigaretten en een schone kattenbak, nu moet je ook nog die occasional graai in de schaal met noten laten. Dat is gewoon naatje.

En niet alleen zwangere vrouwen worden getroffen. Het nieuws heeft geleid tot onrust in de notenindustrie. Pindaproducenten en fabrikanten van borrelnoten, Japanse mixzakjes en notenmelanges vrezen de verwachte instortende vraag naar pinda’s onder zwangere vrouwen. Niet voor niets rept het artikel van ‘intensief pinda-etende moeders’.

Zwangere vrouwen vormen voor ons een belangrijke bron van inkomsten, verduidelijkt de woordvoerder van Pindalicious. Als je ziet wat er in die negen maanden naar binnen wordt gewerkt! Zonder zwangere vrouwen krijg ik geen dertiende maand.

Het Astmafonds twijfelt of de jaarlijkse pinda-actie moet doorgaan. Vooral de slogan ‘Een pinda, een pinda, waarom neem je niet nog een pinda, of anders een heel zakje?’ zou zwangere vrouwen met een tekort aan pinda in het verkeerde keelgat kunnen schieten.

Belangenverenigingen van zwangere vrouwen maken zich zorgen. Men vraagt zich af waarom het pindagevaar pas nu in zijn volle omvang duidelijk wordt. Samen met verschillende foetusgroeperingen wordt de regering gevraagd dit tot op de bodem uit te zoeken.

Belangenvereniging Redelijk Simpele Zwangere Vrouwen bereidt juist een kort geding voor dat moet leiden tot vernietiging van de onderzoeksresultaten. Een en ander is ingegeven door het comment van ‘Zwangoniempje’ op een webforum: Geen pinda’s meer? Wat moeten we dan in vredesnaam eten als er alleen nootjes in huis zijn en er niks op tv is? En nu zijn het de pinda’s maar wat volgt nog? Spekkies? Hagelslag?

Naast het kort geding wordt een bodemprocedure tegen de wetenschap als geheel voorbereid. Een woordvoerster van Redelijk Simpele Zwangere Vrouwen (uitgerekend over drie maanden): Al die dingen die niet meer mogen, dat komt alleen maar door die onderzoeken. Hetzelfde met het rookverbod. Het wordt tijd dat die wetenschappers niet meer zomaar alles mogen onderzoeken.

Aldi en Lidl melden dat er niks aan de hand is. In hun zakjes pinda’s heeft nog nooit een gram pinda gezeten.
.

dinsdag, juli 08, 2008

Homo video, de filmende mens

De allergrootste ben ik niet. Met 1.80 meter ben ik nou ook weer niet de allerkleinste, maar in grote menigtes sta ik toch al gauw tegen schouderbladen en ongeschoren nekken aan te kijken. Zo ook vorige dinsdag, tijdens het geniale concert van Radiohead in het Amsterdamse Westerpark.

Dat is geen probleem, vooral niet als je tactisch blijft schuifelen. Vervelender zijn bij zulke gelegenheden al die mensen die de helft van de tijd een telefoon of fototoestel boven hun hoofd houden om alles te kunnen filmen.

Ik heb er niet eens echt last van, maar ik snap het gewoon niet. De hele tijd staan ze naar dat kleine schermpje te kijken of de handel er wel een beetje goed op komt. Ondertussen missen ze alles waarvoor ze zijn gekomen.

Bijzondere gebeurtenissen, alledaagse dingen, iedereen filmt alles. Ik ervaar op dat gebied nog een beetje een drempel en ben daarmee blijkbaar de laatste. Neem nou woensdag, toen het zo regende. Ik had dat meisje kunnen filmen. Ze stond naast haar fiets toen vlak langs haar een auto door een enorme plas reed. Witheet was het meisje. En zeiknat.

Ik had even later ook die jongen kunnen filmen. Hij zat op zijn fiets met een helblauwe poncho om. Om zijn broek ook droog te houden, had hij de punten van het ding vast, op het stuur. Toen ik hem passeerde gutste net het reservoir aan water dat zich vlak voor hem had verzameld over zijn broek en schoenen.

Had een leuk filmpje kunnen worden.

Eén keer kwam ik onlangs echt in de verleiding, twee weken geleden op station Amsterdam Zuid. De roltrap naar boven was stuk: alleen via de lift of met de trap aan de andere kant van de stationshal kon je boven op het perron komen. Ik was naar boven gelopen en stond naast het trapsgat toen ik naast me een hoop geklik en geklak hoorde.

Het waren de hakken van een mevrouw, blijkbaar op de hoogte van lift noch trap. Vinnig probeerde ze boven te komen via de naar beneden gaande roltrap. Boven stond een groeiend publiek geamuseerd toe te kijken hoe mevrouw halverwege geen progressie meer boekte en als een cavia in een tredmolen op die roltrap omstapte.

Klik klak klik klak, en ze kwam geen centimeter dichter bij haar doel.

Uiteindelijk slaakte ze een diepe zucht, waarop de monteur haar wees op de trap verderop. Ik stopte mijn telefoon weer in mijn broekzak.

vrijdag, juni 20, 2008

En maar wachten tot de scheids fluit

Dus die Duitsers staan in de halve finale. Het is meer dan terecht, want de Portugezen waren even vergeten dat je Duitsland alleen verslaat als je ze als team tegemoet treedt, maar toch: wat een ellende.

Thumbs up naar onze Oosterburen hoor, daar niet van. Je hebt zat mensen die alles wat Duits is nog immer verwensen, enkel en alleen omdat het Duits is. Tot die groep reken ik mezelf niet, al maakt Bastian Schweinsteiger de verleiding groot.

Dat haar! Die tronie! Dat hoofd ins algemeine! Laat ik het zo zeggen: als ik met het bord op schoot zit en Bastian Schweinsteiger wandelt door het beeld, dan ben ik uitgegeten.

Maar toffe lui, die Duitsers. En prima kerels ook, in dat nationale elftal. Ook goed: de kledij van de technische staf. Aan alles is gedacht, van de op maat gemaakte zwarte broeken en de hippe witte overhemden tot de sympathieopwekkende zweetplekken onder de oksels. Dik voor mekaar.

Toch vind ik het een aanfluiting dat de Duitsers hun kwartfinale hebben gewonnen. Die ploeg, dat is gewoon een en al afzichtelijkheid. Aan het EK doet iedere ploeg vooral mee om te winnen, maar als ik voor de tv zit, dan wil ik gepassioneerde aanvalsgolven zien. Messscherpe uitbraken en vleugelverdedigers met het snot voor de ogen, uitgeput door onophoudelijke rushes langs de zijlijn.

Voetbalploegen moeten zijn zoals Ireen Wüst: er vol voor gaan en wel zien waar het schip strand.

Duitsland is in niks Ireen Wüst. Duitsland is Rintje Ritsma. Ze prikken er eentje in en gaan dan rekenen. Aanvallers staan in de eigen zestien, verdedigers beuken ballen de tribunes in. En dan maar wachten tot de scheids fluit voor het einde. En niemand weet wat de Duitse verdedigers doen, maar de aanvallers van de tegenpartij presteren niks.

Zo gaat het en ik kan er maar moeilijk naar kijken.

Zelf zijn de Duitsers natuurlijk ontzettend blij met hun spel. Door het dolle heen na opnieuw een gestolen doelpunt. Drie keer gescoord, hoezo geen spektakel?

Het ergste van alles is dat de Duitsers door de gewonnen kwartfinale nóg een wedstrijd mogen spelen. Dat is dan de halve finale en daar ga je dan toch weer voor zitten, om precies eenzelfde avond te beleven.

Het is niet leuk, het is niet mooi en het is niet hoe voetbal is bedoeld, maar het is wel hoe het gaat.

Tijdens het EK houdt de organisatie in de stadions de sfeer erin met Seven nation army van The White Stripes. Steeds weer knettert het heerlijke nummer over de tribunes. Gisteravond versloeg Duitsland Portugal in de kwartfinale. De bassloop van Seven nation army was het enige dat de uitzinnige Duitse supporters wisten te verzinnen. Dat zegt alles.

Het windjack Gods

Of ik wel eens gok, vroeg de man. Ik zat op een stationsbankje en hij kwam naast me zitten. In zijn handen zag ik een foldertje. Lot uit de loterij, stond erop, en ik had nog niks in de gaten.

Ik beantwoordde zijn vraag en vertelde hem dat ik vrijwel nooit gok. Hij bestudeerde zijn blaadje eens, en nog eens, en zei toen quasi-verbaasd: Oh, kijk. Bedoeld wordt niet letterlijk een lot uit de loterij, maar dat in je leven iets kan gebeuren waardoor je erg gelukkig wordt.

Tja, toen voelde ik natuurlijk nattigheid. Terecht, zo bleek: het was een rasechte propagandist voor God, en hij had mij als eenzame reiziger op het station uitgezocht om zalvend te overreden een gesprek aan te gaan met God, of hoe noemen ze dat.

Niet lang na zijn zogenaamde verwondering over het foldertje, speelde hij al open kaart. We hebben het toch maar mooi, hier op Aarde. Maar vraag je je ook wel eens af of dat álles is? Het zou toch raar zijn als er niet meer zou zijn dan dit, vind je niet? Geloof jij dat er meer is?

Ik kon zijn gedachtegang goed volgen: zeker weten dat er meer is dan argeloze reizigers lastigvallen! Maar tegelijkertijd: héél veel meer is er ook niet, dus ik antwoordde van nee.

Daar had hij op gerekend. Ik had hier namelijk te maken met een goed getrainde strijder. Eindeloze rollenspellen moet meneer hebben gespeeld en talloze online cursussen gevolgd, alles ter voorbereiding op zijn belangrijke taak: goddeloze reizigers het licht laten zien.

Het ultieme einddoel van al die arbeid is natuurlijk de hemel, maar zo’n man moet voor God toch zijn wat die iets te sympathieke postbode voor anderen is: heel erg sympathiek dat ie altijd zo opgewekt blijft doorratelen, maar mag het ietsje minder? Als ik God was zou ik me ook afvragen of dat nou wel het beste campagnemiddel is, zo’n pratend mannetje in een windjack.

Het zijn overwegingen waar mijn bekeermeneer waarschijnlijk nog nooit over heeft nagedacht. Geheel volgens zijn uitgestippelde strategie zette hij een joker in. Mensen denken dat de evolutietheorie bewezen is, maar dat is niet zo. Het is een theorie. Die kan net zo goed helemaal niet waar zijn.

In één adem door haalde hij ook de oerknal erbij. Zo’n oerknal, ik denk dan aan chaos, wanorde. Uit zo’n knal kan toch niet zo’n wonderlijke en gestructureerde wereld ontstaan? Hier doelde hij op de bloemen en de planten, en op de schepselen Gods.

Hij ging verder: Daar moet toch een plan achter zitten? Dat kan toch niet zomaar zo zijn? Ik gaf geen krimp. Hij gooide zijn ultieme troef in de strijd. Intelligent Design, wat vind je daar dan van? Hij boog zich enigszins naar me toe. Zijn windjack ritselde vervaarlijk. Maar zoals gezegd: ik gaf geen krimp.

dinsdag, juni 10, 2008

De verovering van een scepticus

Tien over zes in de avond. Maandag 9 juni 2008. Je fietst van werk naar station. Een lange dag was het, en nu denk je aan de wedstrijd. Straks begint het. Een man in pak fietst voorbij. Zou hij er aan denken? Zou hij al met de wedstrijd bezig zijn? Een meisje laat de hond uit. Zou zij vanavond kijken?

Half zeven. Je zit in de trein (zouden zij er al aan denken?) en leest over de wedstrijd. Italië is regerend wereldkampioen. Decennia geleden wonnen we voor het laatst van ze. Je denkt aan het team. Scepsis. Je zult wel zien.

Acht uur. Je fietst door de stad. De nuchterheid overheerst. Zelfbescherming. Niet te veel verwachten. Dan zie je overal oranje. Het loopt en het fietst. Het besmet je. Verwachting hangt in de lucht. Je voelt het. Opeens zit je er middenin.

Twintig voor negen. De volksliederen worden gespeeld. Grappen worden gemaakt. Je zit er klaar voor. Iedereen zit er klaar voor.

Tien uur. Er wordt bijna afgetrapt voor de tweede helft. In de hoek van het beeldscherm zie je de tussenstand: 2-0 voor. Ongelofelijk, geweldig. En niet eens ontrecht. Tegelijkertijd: Italië blijft de wereldkampioen. Eén goal en het wordt billenknijpen. Zo is het.

Twintig voor elf. Het is echt waar. 3-0 gewonnen. Van Nistelrooij, Sneijder en Van Bronckhorst. De wereldkampioen verslagen. Wat een wedstrijd. Je denkt aan je gevoelens een paar uur eerder. Je denkt aan de onwerkelijkheid. En de ouders van Khalid Boulahrouz.

Tien over elf. Nabeschouwing. Jack van Gelder zegt meneer Van Basten. Spelers glimlachen bescheiden. Buiten rijden auto’s toeterend door de straat. Engelaar schuift aan. De stem van Barry White. De rust van Clarence Seedorf. Wat een held.

Vijf over twaalf. De uitzending is afgelopen. Een buurvrouw staat op straat. Bier en tieten!, schreeuwt ze. Het was een mooie avond. Het toernooi is begonnen.

vrijdag, juni 06, 2008

Alle helden vallen van hun voetstuk

Michael Johnson leverde deze week zijn gouden medaille in. Het is niet zijn enige gouden medaille, hij won er in totaal vijf, maar toch: een genereus gebaar.

In 2000 won hij met de Amerikaanse sprintploeg de gouden plak op de 4 x 400 meter. Over 400 meter was hij in dat jaar in zijn eentje ook de snelste. Nu al zijn teamgenoten van toen zijn ontmaskerd als dopinggebruikers, doet hij vrijwillig afstand van de besmette estafettemedaille.

Je kunt dat niet anders dan nobel vinden. Maar natuurlijk sluipt de gedachte naar binnen dat het hypocriet is. Hoeveel topsprinters zijn de afgelopen jaar niet in verband gebracht met doping?

De aanval is de beste verdediging, en dat zou ook kunnen gelden voor de actie van Johnson. Hij levert één van de vijf in een toont zich moreel superieur. Als het zo moet, dan hoeft hij die medaille niet meer.

Wat nu te denken? Je bent onschuldig tot het moment dat je schuld is bewezen. Michael Johnson is een echte sportheld. Alle sporthelden vallen vroeg of laat van hun voetstuk.

Prestaties bezorgen sporthelden overigens maar voor de helft hun status. Voor de andere helft zorgt het verhaal. Zonder verhaal geen sportheld. En bij Michael Johnson hoort een verhaal: hij is de man die – terwijl hij iedereen eruit liep – achterover leek te vallen.

Je keek er naar en je was onder de indruk, zoals ik dat ook was van Ben Johnson (dopingzondaar), toen die in 1988 Carl Lewis (verdacht) eruit liep. Nu moet je opletten, zei heit. Startschot, krachtsexplosie, wereldrecord.

In de slow-motion danste een gouden kettinkje op de opgepompte spieren van Johnson. Verhaal geboren.

Michael Johnson had er ook voor kunnen kiezen om zijn medaille niet in te leveren. Omdat hij geen doping heeft gebruikt. Of omdat hij simpelweg de snelste onder de snuivers was.

Sowieso: heeft iemand ooit zijn medaille ingeleverd? Niet al die Oost-Duitse atletes die stijf van de steroïden plak na plak binnensleepten. Die zitten er nog steeds verguld naar te staren, terwijl ze hun rug nog eens laten scheren nadat ze thuis zijn gekomen na een dag staal buigen in de fabriek.

Niemand levert vrijwillig een medaille in. Iedereen is verdacht. Alle helden vallen van hun voetstuk. Maar je moet ergens een streep trekken. Michael Johnson blijft een sportheld.

woensdag, juni 04, 2008

Hun tijd niet eens heel ver vooruit

Als je deze foto ziet, dan denk je toch allereerst: zo, daar zit de Oranjestemming er al aardig in! Het kan maar loos gaan, in Oostenrijk en Zwitserland.

Maar dit zijn natuurlijk leden van de Indianenstam die onlangs werd ontdekt. Hun bestaan werd vermoed, maar geen mens had ze ooit nog gezien. Tot vorige week. De Dow Jones verkeerde in rustig vaarwater, Feyenoord kocht in Zuid-Afrika de zeventienjarige Kermit Erasmus, in Nederland ontstaat discussie over embryoselectie. En Indianen in Brazilië hebben voor het eerst contact met de buitenwereld.

Het blijft een bizarre gedachte: de mensen op de foto hebben misschien nog nooit contact gehad met een andere beschaving, totdat ze werden gefotografeerd vanuit een vliegtuigje, door een instantie die opkomt voor hun belangen. Fototoestel, vliegtuig, fotograaf, die Indianen hebben géén idee!

Laat staan dat ze weten dat er samenwerkingsverbanden zijn om hun voortbestaan te waarborgen.

Het vliegtuigje werd beschoten met pijlen maar kon zijn reis vervolgen.

Wij pakken de zaken al een tijdje anders aan. We hebben een lichtje in de koelkast en elektrische tandenborstels. We kopen fruit voorgesneden in een plastic bakje met een vorkje erbij. En we hebben politieke partijen voor onder andere dieren en pedofielen.

De reactie bij zo’n ontdekking is altijd: jeetje, wat lopen die lui een eind achter. Maar het is maar de vraag of dat echt zo is. In West-Europa denken we altijd dat het Midden-Oosten ‘nog’ islamitisch is. Omgekeerd denken ze daar dat wij nog seculier zijn. Beide denken dat de ander op termijn de eigen kant op komt.

Zo kun je ook redeneren dat de Indianen in Brazilië verder zijn dan wij. De poolkappen smelten, de olie raakt op, de gemoederen raken verhit. Misschien staan we straks allemaal met pijl en boog voor ons hutje, te schieten op al wat er voorbij vliegt.

donderdag, mei 29, 2008

Saharazand, in feite fokking niet normaal

Het bericht komt eens in de zoveel tijd voorbij. De zuidelijke windstromen die het warme weer van deze dagen veroorzaken, voeren ook een laagje Saharastof mee, schrijft de NOS ditmaal. Saharazand – deze keer meeliftend met een heuse Afrikaanse heteluchtwolk – in het landelijke nieuws. Dat vínd ik niet alleen mooi, het ís het ook.

Mooi voor de wasstraten in Nederland. Een halve dag neervallend Saharazand en alle auto’s zijn ranzig. Waar je ook kijkt, ze zitten er helemaal onder. Alsof ze net zijn opgegraven bij Paal 18. Wat ik zeg: gouden tijden voor de wasstraten.

Mooi ook voor de zandbakken in Nederland, en meer nog voor de duinen. Het zal nooit heel hard aankomen, maar in deze tijd van globale opwarming en stijgende zeespiegels helpen alle beetjes, dus we mogen blij zijn dat de Sahara onze verdedigingslinie tegen het wassende water komt versterken.

Ik las ergens dat het Saharazand behalve grijs ook rood kan zijn. Dat is toch mooi: het EK voetbal voor de deur en in Nederland kleuren zelfs de duinen oranje. Doet het ook leuk op Google Earth.

Maar het is vooral ook mooi omdat het een wereld aan associaties oproept. De mededeling alleen al: er valt Saharazand. Dan denk je gelijk dat het ook echt pijpenstelen kan regenen. En überhaupt het wonder: zand op de auto’s in Markelo, afkomstig uit een woestijn duizenden kilometers verderop. Om met Jaap te spreken: dat is toch fokking niet normaal!

Saharazand, ik vind dat we zoiets ieder jaargetijde moeten hebben. In de lente een wolk Wasa uit Zweden, in de herfst een vlaag Chinese rijst, en in de winter een snuifje Colombiaanse coke, voor een witte en vredige kerst.

woensdag, mei 28, 2008

Opperste staat van paraatheid

De Ramp. Of beter nog: de Aanslag. Het zou natuurlijk kunnen dat ie ons land eens een keer treft. Niemand weet wanneer, en niemand weet waar of hoe, maar één ding is zeker: als het gebeurt, dan zijn we allemaal de sigaar.

Dat is logisch.

Vooral voor wie wel eens heeft meegemaakt wat er gebeurt wanneer Nederlanders worden geacht in de overlevingsstand te schieten. Dinsdag nog: een verdacht pakketje in een trein bij Amsterdam Centraal. Hulpdiensten in opperste staat van paraatheid, alle treinen stil en het station ontruimd.

Maar bij het getroffen volk zie je dan geen bezorgdheid of betrokkenheid over de veiligheid van de natie. Niks daarvan. Men wil naar binnen, de trein in, naar huis, want GTST begint straks en er moeten ook nog boodschappen worden gedaan.

Laatst, een bijeenkomst in Utrecht en het alarm gaat af. Eerst kijkt iedereen elkaar verstoord aan. Wat vervelend nou, die herrie terwijl we net een beetje op gang zijn. Voor hetzelfde geld baant een oplaaiend vuur zich een weg naar het zaaltje, maar die gedachte komt bij niemand op.

Ook niet in de rest van het gebouw. Op de gang drentelen een paar mensen heen en weer. Sommigen benutten het moment om koffie te gaan halen, anderen duiken het toilet in.

Natuurlijk, zo’n vaart zal het nou ook weer niet lopen met Ramp en Aanslag. De Russen schieten voorlopig alleen op de buren, de Amerikanen zijn nog wel even matties met ons, en vanaf zo’n terroristisch trainingskamp is het een heel eind met de bus. En het zou ook niet goed zijn, als iedereen bij het minste of geringste onder z’n bureau dook.

Maar van de andere kant: we hebben geen idee wat dat is, anticiperen op een maatschappijontwrichtende gebeurtenis. Verder dan zeggen dat ‘ze’ een beetje normaal moeten doen, komen we niet. Aanslag of Ramp dient zich aan, en wij boren collectief een mengsel aan van apathie, onbekommerdheid en zal zo’n vaart niet lopen.

We zijn als dat konijntje in je koplamp: je weet dat ie wil overleven, maar bewegen doet ie niet.

maandag, mei 26, 2008

De dingen die je niet ziet

Oké, wat is te zien op deze foto, die ik afgelopen zaterdag in Apeldoorn nam? Duidelijk is meteen dat het een stralende dag is, dat twee voetbalteams tegenover elkaar staan, en dat de scheidsrechter niet de moeite heeft genomen een shirt van een onderscheidende kleur aan te trekken.

Wat je niet ziet is dat op omliggende velden nog tal van wedstrijden worden gespeeld. Alle teams hadden daarbij één enkel doel: het winnen van de GPD Cup. Ieder jaar spelen de regionale dagbladen die samenwerken in de Geassocieerde Pers Diensten om die bokaal, met steevast een samengeraapt ploegje voetballers – alleen als zodanig te herkennen door de noppen onder hun schoenen.

Wat je ook niet ziet is dat het veld kurkdroog en keihard is. Op het veld lag bovendien veel zand, met name in het doelgebied. Bij iedere reflex van een keeper was het even wachten tot de stofwolken waren opgetrokken, voor je kon zeggen of er was gescoord.

Maar wat je vooral niet ziet is de frustratie bij veel van die hobbelende semisporters. Zo’n toernooi gaat natuurlijk nergens om, maar vertel dat maar eens aan die mannen van middelbare leeftijd die zichzelf als onontdekt talent beschouwen.

Steeds die verbolgen gebaartjes, constant het gezeur en gezeik tegen scheidsrechter en assistent-scheidsrechter (de man die vroeger grensrechter heette). En natuurlijk nu en dan gemeen natrappen, vooral na een succesvolle passeerbeweging van een tegenstander. Want uitgespeeld worden, dat kan natuurlijk niet.

Dat zie je dus allemaal niet op de foto. Oh, en wat je dus ook niet ziet: dat het harde veld ook voor enorme spierpijn the day after zorgde. Pijn op plekken waarvan je niet wist dat er spieren zaten, culminerend in algehele immobiliteit. Terwijl ik dit tik, vraag ik me alweer af hoe ik straks ooit weer uit mijn stoel kom…

vrijdag, mei 23, 2008

Hoi Rutger, hoe is het met jou?

Laatst beleefde ik een ontzettende retrotrip. Je hebt dat wel eens: in gedachten ga je terug in de tijd, je bent er weer, daar in dat moment. Dat had ik. Maar niet eerder had ik het zo erg en zo lang.

Het was namelijk zo: ik ruimde mijn kamer op. Kamer opruimen, dat is iets dat pubers van een jaar of dertien doen, meestal omdat het moet van hun moeder. Ik ruimde in dit geval mijn ouwe kamertje op omdat hij grondig ging worden aangepakt door heit en mem. De kinderen zijn de deur uit en dan gaan ze dingen verzinnen. Tuin op de schop, nieuw meubilair, de zolder overhoop.

Halleluja, wat had ik in de loop der jaren een berg spullen verzameld in die kamer! Het kwam uit alle hoeken en gaten: oude agenda’s, volgeschreven schriften, gewonnen sportmedailles en vergeten herinneringen. Ik zat daar, ik ruimde op, en ik beleefde mijn jeugd nog een keer.

Van sommige dingen die ik tegenkwam is nu amper nog te bevatten dat ze intensief werden gebruikt. Die stapels videobanden, of die ladingen diskettes. Andere dingen waren gewoon aardig om nog eens terug te zien. Zoals die ansichtkaarten uit 1994, met steevast de meest nietszeggende teksten.

Hoi Rutger, hoe is het met jou? Hier op de camping is het erg leuk. Het is wel heel warm, maar gelukkig is er een zwembad. Groetjes!

Dat werk.

Wat ik ook tegenkwam, waren exemplaren van de Peppil, de schoolkrant van toen, waarvan ik geen idee heb of ie nog verschijnt, en de ter gedachtenis aan René Dam, waaruit de foto hierboven komt. Op 23 april 1995 werd René Dam gedood in het centrum van Heerenveen, nadat één uit een groepje dronken ruziezoekers hem in het hart stak.

Meindert Tjoelker ging pas in 1997, dus het heette toen nog geen zinloos geweld, maar dat maakte het drama niet minder groot. Ik kende René Dam helemaal niet, hij was vier jaar ouder, maar op school maakten de verslagenheid, de stiltes en de plechtigheid diepe indruk.

Omstanders probeerden vergeefs het bloeden te stoppen. De jongen is op weg naar het ziekenhuis overleden, schreef de Leeuwarder Courant. Dat beleef je dan dus ook nog een keer, tijdens zo’n retrotrip. René Dam was zeventien jaar oud en is al dertien jaar hartstikke dood.

Ruud Heus en Henk Fräser, onder andere

Deze week was de finale van de Champions League. Finales zijn nooit een stuiver waard, dat zul je straks bij het EK ook weer zien, als je er helemaal voor bent gaan zitten bij de verkeerde wedstrijd, maar deze was erg goed te doen.

Mooi ook dat Cristiano Ronaldo eerst een pingel miste voor United en daarna nog John Terry voor Chelsea. Lekker veel drama. Jammer was weer wel dat uiteindelijk Nicolas Anelka faalde. Het was voor Edwin van der Sar, de kijkers thuis en de mensheid in het algemeen toch mooier geweest wanneer de misser was gekomen van een heus clubicoon – of anders Roman Abramovich zelf. Mocht niet zo zijn.

Vroeger keek ik het voetbal op zondagavond altijd op de bank met heit, en soms ook Jelmer. Dat was dan na het eten en ik ergerde me altijd wezenloos. Ik had besloten dat ik voor Ajax was, en vond de rest daarom ontzettend vervelend.

Eric van der Luer, Jean-Paul de Jong, ik kon ze niet uitstaan. Eigenlijk irriteerde iedereen me. Ruud Heus, Ron Spelbos en Hans Kraay senior. Henk Fräser, Peter Bosz en Hans Kraay junior.

Enzovoorts.

Ik dacht destijds dat ik écht de pest had aan al die spelers, hun clubs en al die analisten, totdat ik erachter kwam dat het soms gewoon lekker is je te ergeren. Daar kun je dan zo sarcastisch en cynisch mogelijk ruchtbaarheid aan geven, en er dan met zijn allen om lachen.

Dat is ook de reden dat ik zulke goede herinneringen bewaar aan die gids in die bus in Barcelona. Die wist echt helemaal niks en dat was ontzettend irritant. We hebben er erg veel lol om gehad.

Zo weet ik ook nog goed hoe er – misschien alweer een decennium geleden – bij ons thuis werd gesproken over Jeroen Grueter, die toen net was begonnen als commentator voor de NOS. We maakten hem helemaal af. Overigens: wat hij deed wás ook erg slecht. Hij las teksten voor bij samenvattingen, en slaagde erin dat te doen zonder enige emotie of intonatie.

Maar zie, Jeroen Grueter kreeg de kans het vak te leren, en nu is hij een van de beste commentatoren in Nederland. Hij becommentarieert een wedstrijd nog niet zoals Frank Snoeks dat kan, maar hij het scheelt weinig. Grueter deed woensdag ook de regie bij de Champions League-finale in Moskou, en hij maakte geen enkele misser.

Gelukkig was de regie erg slecht. Constant als je wilde weten wat er op het veld gebeurde, zat je te kijken naar een indringende close-up van een van de trainers. Kon ik me toch nog heerlijk ergeren.

vrijdag, april 25, 2008

De belichaming van nietszeggendheid

Goed, daar gaan we. Ik kan me de tijd nog heugen dat er op tv nog wel eens spontane gesprekken werden gevoerd. Dat ging zo: de interviewer ging er eens goed voor zitten, want hij was oprecht geïnteresseerd in zijn gast, en vervolgens, nadat hij ‘hoi’ had gezegd, vuurde hij alle vragen die in hem opkwamen af op de geïnterviewde, die best wel zenuwachtig was, want het was toch televisie. Het resultaat: een heus interview.

Nu zie je dat nergens meer. Ja, bij Het Gesprek. Maar dat is weer het andere uiterste.

Bij Het Gesprek kabbelt het maar en kabbelt het maar. Als een lieflijk stromend bergbeekje dat ook niet precies weet waar het naartoe wil. Besluiteloos, doelloos, zinloos. En dus ook kijkerloos. Maar ze doen tenminste een poging het ergens over te hebben.

Op de overige zenders moet het allemaal snel-snel en hap-snap. Gasten worden vooraf volledig gedresseerd, waarna ze in drie minuten hun kunstje doen. Dan zegt de gastheer: Bedankt! Of hij wendt zich gewoon tot een volgende gast.

Er is echter één omroep die zich niets aantrekt van deze trend, en dat is de NOS. Een decennium geleden had Studio Sport al de traagste en lodderigste onder de analytici: Ron Spelbos (die een goed excuus had: hij had last van zijn hart. Maar vraag hem dan niet als analyticus), en nog steeds halen ze de sufste mensen naar de studio om te komen vertellen waarom Feyenoord geen kampioen is geworden.

Studiogasten en analytici worden bij de NOS waarschijnlijk al eeuwenlang geregeld door een ouwe graftak, die het wel fijn vindt wanneer de audiovisuele actie zich tot een minimum beperkt.

Inderdaad, daar zijn we mooi klaar mee.

Zo kon het ook gebeuren dat Danny Blind van de week een wedstrijd in de halve finale van de Champions League mocht komen bespreken. Danny Blind, saaier kan het echt niet. Danny Blind is de belichaming van nietszeggendheid. Danny Blind downplayt relativerende opmerkingen.

Het was nog wel zo’n spectaculair duel. Met Christiano Ronaldo, Messi, Rooney, Krkic, Iniesta, enzovoorts. Had Danny Blind geen boodschap aan. Danny Blind benadrukte constant dat het allemaal wel wat meeviel.

Op het veld was de ene actie nog virtuoser dan de ander, maar toen Danny Blind werd geconfronteerd met het mooiste hakje van het jaar, waarbij Iniesta na een inspeelpass van Messi Eto’o vrij voor de doelman zette, zei Danny Blind: Ja, maar goed, dat is Iniesta. Je weet dat ie dat kan.

Pff.

Op zeker moment wilde Tom Egbers een bruggetje maken naar Edwin van der Sar, de keeper die zo graag nog eens de Champions League zou winnen. Tom zei: Danny, het is dertien jaar geleden dat je de Champions League won, waarop Danny Blind halverwege meteen interrumpeerde: We! Want hij had hem immers niet alleen gewonnen.

Maar goed, dat weet je, van Danny, dat ie zo is.

woensdag, april 09, 2008

Dat eeuwige ribding

Vrijdag zijn we naar Alain Clark geweest. Dat wil zeggen, Alain Clark kwam naar een afgesproken plaats, en daar speelde hij samen met een groepje muzikanten een serie liedjes van zijn cd. Een concert, heet dat, en wij waren erbij.

Het was niet het soort gebeurtenis waarvan je later zegt: Ik was erbij toen Alain Clark in Tivoli optrad. Jaa, ik was erbij. En ik weet het nog goed. En dan diep ademhalen en legendarische wederwaardigheden opdissen. Nee, dat zal niet gebeuren. Over twee maanden staat Alain Clark namelijk weer in Tivoli.

Het is trouwens alweer een tijdje geleden dat er een gebeurtenis plaatsvond waarvan je nog precies weet wat je die dag verder allemaal deed, en wat je eerste reactie was. Ik had wat dat betreft high hopes voor Fitna, maar dat project loste de belofte niet in. Het was net de Champions League: je gaat straks zitten voor de finale, maar heftiger dan de kwartfinale tussen Liverpool en Arsenal wordt het toch niet.

Ik voorzag heftige taferelen als gevolg van Fitna, na alle overtuigende waarschuwingen van onze premier van alle Nederlanders. Daardoor voorzag ik ook: gezellig online de reacties monitoren, vanaf de bank de actualiteitenrubrieken afstruinen op zoek naar nieuwe inzichten van heuse deskundigen, en een extra krant kopen om te bewaren.

Ik was er klaar voor. De aanvraag voor een vrije dag lag al klaar.

Maar het bleek niet nodig. Oké, er werden her en der vlaggen verbrand en mensen bedreigd, maar dat verschilt maar weinig van wat er staat te gebeuren als Nederland er straks bij het EK in de eerste ronde uitvliegt. Laakbaar inderdaad, maar niks uit of the ordinary.

Hoe dan ook, het concert van Alain Clark was zeer de moeite waard. Het mooie aan livemuziek is altijd dat een nummer dat op de radio na drie minuten verveelt op het podium oneindig kan worden opgerekt, en ondertussen beter en beter wordt. Zo ging het vrijdag ook. Mooi was dat.

Waar ik eigenlijk alleen een probleem mee had, was de outfit van Alain Clark. Zoals gebruikelijk droeg hij een donkere broek, een wijd overhemd met daaroverheen een giletje, en dat bekende petje. Vooral dat bekende petje gaat me zo langzamerhand tegenstaan. Zoek op afbeeldingen van Alain Clark en je encountert niets dan petjes.

Zonnekleppen, mutsen en hoedjes, die ook, maar meestal toch dat eeuwige ribding.

Ik ben er klaar mee. Vandaar dat ik met graagte het bericht verspreid dat Alain Clark nog kaler is dan zijn vader Dane. Er zit zelfs bijna geen haar meer op zijn schedel! Ja meisjes, het is waar, die leuke krulletjes die onder zijn petje vandaan komen zijn nep. Ingevlochten in datzelfde petje.

Dat jullie daar maar aan mogen denken, kijkend naar dat hoofd boven dat giletje, op die poster boven jullie bed. Of waar dan ook.

vrijdag, maart 28, 2008

Melig is gewoon vet

Melig is een woord dat ik vroeger verschrikkelijk vond. Ik zal een jaar of twaalf zijn geweest toen ik het voor het eerst hoorde. Dat gebeurde via Annelies, ik weet dat zeker. Die was thuis dan och sa melig en dat vond ik maar niks. Melig, een woord uit de Tina. Een woord voor meisjes, voor wijven.

Er zijn niet veel woorden waarvan ik ontstaan en inburgering bewust heb meegemaakt, maar melig is er een van. Vet is er ook één. Dat was een jaar of wat later. Vet was helemaal nieuw toen ik een jaar of dertien was.

Dan liep je met een groepje op Nike Air Max en in Levi’s 501 over straat, op weg van nergens naar onbekend, en dan riep er weer iemand dat iets toch echt heel erg vet was. De nieuwe single van DJ Paul Elstak bijvoorbeeld.

Als ik in die tijd vet hoorde, dan dacht ik aan frituurvet. Kroketten. En die zag ik dan ook voor me. Bij de toffe associatie van vet kon ik me niks voorstellen. Maar inmiddels kun je mij gewoon tegen beppe horen zeggen dat de vakantie echt heel vet was.

De foto hierboven is ook erg vet. En wat net zo waar is: voor het maken van zo’n foto moet je in een melige bui zijn.

Het was de dag dat Janne en ik op wintersport gingen. Henk en Fetsje kwamen op bezoek en we wandelden de stad in. Bij Bigoli kochten we een broodje en dat aten we op in een waterig zonnetje.

We keken daar uit op een alternatief soort fontein. Een geheel van buizen en gootjes dat constant een kletterend geluid maakt. Daar moet je ook maar van houden.

Een paar toeristen nam een soortgelijke foto. Een flauwe grap die ik wel kon waarderen. Lekker melig. Henk, die dit jaar vijftig wordt, kon het ook waarderen, wat in zijn voordeel spreekt. Vandaar dat de foto werd gemaakt. Henk met installatie, heet-ie.

Poepen, dat is gewoon niet leuk

Poepen, ik vind het maar niks. Je hebt van die dingen, daarvan krijg je na verloop van tijd steeds beter in de gaten dat je er een hekel aan hebt. De ergernis sluimerde altijd al onder oppervlakte. Je had niks in de gaten, maar hij was er.

Als zoiets dan boven komt drijven dan mag je jezelf gelukkig prijzen. Zoveel mensen sterven vroeg door een overvloed aan onderhuids borrelende ergernis. Dat kun je maar beter niet hebben. En belangrijker nog: maar weinig dingen zijn zo fijn als een lekkere ergernis.

Ik heb het bijvoorbeeld vaak als ik voor de tv zit. Dan erger ik me een hoedje, waarna Janne vraagt waarom ik dan met haar meekijk, als ik er toch niks aan vind en steeds alles afzeik wat over het beeld trekt.

Maar ze beseft dan niet dat dat nou juist het leuke is: je groen en geel ergeren. De gaten in het plot. De genepte emoties van de presentatrice. Heerlijk.

En zo heb ik dus ook een hekel aan poepen.

Toch is dat ook weer anders. Ik zit erger me niet, achter die deur op de pot. Maar ik geniet er ook niet van. Andere mensen doen dat wel. Dat weet je als je bij hun thuis naast de pot de inhoud van een gemiddelde bibliobus ziet liggen. Zulke mensen broeden eeuwig boven hun lichtverteerbare lectuur, stiekem genietend van opstijgende dampen.

Ik vind er niks aan. Poepen is een hinderlijke onderbreking, waar je ook mee bezig bent. Je leest de krant, je moet poepen. Je zit in de tuin, je moet poepen. Je neemt een eerste hap van je pistoletje ham-kaas, je moet poepen. Dat is gewoon niet leuk.

Maar het vervelendst is het altijd nog als je moet poepen, eigenlijk, maar het op dat moment niet uitkomt naar de plee te gaan. Dat had ik laatst. Er zou tussen 9.00 en 12.00 uur een monteur komen voor de cv-ketel. Het was 9.10 uur en ik dacht: ik moet poepen.

Tegelijkertijd dacht ik: ik ga nu mooi niet zitten poepen, want dan zul je net zien, ben ik net aanbeland bij fase twee, gaat de deurbel.

Dus ik wachtte. En ik wachtte. Het werd allemaal hoe langer hoe ellendiger. En die monteur, die kwam natuurlijk helemaal niet. Lekker. Zulke ervaringen maken mijn verstandhouding met poepen er niet beter op, dat spreekt.

vrijdag, maart 07, 2008

Kruipend naar je kamer in hotel Red Eagle

Het duurt niet heel lang meer, namelijk nog één nacht slapen, en dan gaan we een weekje skiën. Zes dagen lang van lift naar lift, van berghut naar berghut, van apfelstrudel naar apfelstrudel.

Meer dan bij een zonvakantie of een stedentrip ben je bij een skivakantie afhankelijk van de omstandigheden. Zonder sneeuw begin je niks. Daar komt dan nog bij: het is niet gauw goed. Je wilt natuurlijk dat er veel sneeuw ligt, maar tegelijkertijd: sneeuw komt uit wolken en die gaan zo voor de zon zitten. Dat wil je ook niet.

We waren van plan om naar een Frans appartement te gaan. Het is een Oostenrijks hotel geworden. Een last minute skireis bleek nog lastig te vinden, en dus nemen we een week lang ons intrek in hotel Red Eagle.

Dat klinkt inderdaad weinig romantisch. Red Eagle. Je denkt al gauw aan all you can eat hamburgerfestijnen, tl-buizen en rodeo nights. Maar het hotel staat toch echt in Tirol, er liggen pistes bij en voor de deur stopt een skibus. Dat moet dus ook wel weer goed komen.

Eerst kwam Sietse op de proppen met de mededeling dat zich in onze Red Eagle een disco bevindt. Dat wordt weinig slapen en kruipend naar de kamer, voorspelde hij. Goed nieuws, wij hebben de voorzieningen graag op kruipafstand.

Toen meldde Lieneke zich. Volgens haar is Kirchberg een oord waar liefhebbers van happy hardcore en Hollandse meezingers uitstekend aan hun trekken kunnen komen. Het goede nieuws stapelt zich op. Hopelijk worden de genres afwisselend in dezelfde tent gedraaid, dan hoeven Janne en ik er niet apart van elkaar op uit.

Vervolgens ging Janne eens googlen op ‘Red Eagle Kirchberg’. Het blijkt dat veel Eaglegangers niet zijn te spreken over de maaltijden in het hotel. De kipfilet smaakt er naar vis, meldt de één. Een ander klaagt dat hij moest bijbetalen voor een banaan. Helaas vermeldt hij niet of het een Chiquita betrof of een huismerkbanaan, en evenmin wat ze hem er in Kirchberg voor rekenden.

Verder melden opvallend veel bezoekers dat Red Eagle vaak overboekt is, waardoor ze hun vakantie uiteindelijk niet in hotel Red Eagle zelf hebben beleefd. Ik hoop niet dat ons dat overkomt, want ik wil de Red Eagle experience wel eens meemaken. En mochten we niet terugkomen: we houden van jullie, stem met je hart en eet twee stuks fruit per dag. Minstens.

Sint Piter, rozenbottels en een oude Escort

Sint Piterdei, dan grienet de wei, dan bakt mem stro, dan keallet de ko, dan leit de hin, dan hat de húsman it nei syn sin. Kijk, dat is klare taal. Schrijver van het liedje Eeltsje Halbertsma bedoelde maar: Sint Piter rockt de kasba.

Het is alweer een tijdje terug dat de beste man cadeaus bracht (voor mij geen sokken, dus ik mag niet mokken), maar Zijn bezoek kan ik fansels niet zomaar voorbij laten gaan. Dus bij deze.

Volgens mij behoor ik tot één van de laatste generaties die Sint Piter op het ijs heeft zien aankomen. Normaal gesproken komt ie altijd met de rondvaartboot van Van der Zweep. Die vaart dan van de opstapplaats naar de kade, een afstand van een paar honderd meter. Daarna gaat Piter op een paard zitten, dat voor hem de vijftig meter naar het dorpsplein overbrugt. Daar vertelt ie dan aan de verzamelde menigte hoe blij hij is dat hij de tocht naar Grou weer heeft volbracht.

Maar goed, vroeger, als er ijs lag en het was dik genoeg, dan kwam de goedheiligman met de belslide naar Grou. En ik heb dat een keer meegemaakt. Stonden we met het hele dorp op een ijslaag van een halve meter te wachten tot de Sint aan kwam glijden op zijn slee, met een stuk of wat Fryske hynders ervoor.

En altijd als het dorp nog stond te wachten, zat Zwarte Piet, toen nog gespeeld door Addie, wild zwaaiend op de spits van de kerk. Of op een andere plaats die hoog en zichtbaar was. Dat was altijd mooi, want Addie was een echte Piet. Hoe hachelijk zijn voorstelling feitelijk ook was, hij bleef maar enthousiast zwaaien.

Dat jaar sjokte ik niet achter Sint Piter aan naar het dorpsplein. Ik bleef achter op het ijs met Jelle, die vroeger bij mij in de klas zat, maar later niet meer, omdat ie niet zo slim was en daardoor een keer niet overging. Destijds woonde hij ook alweer een tijdje in Bolsward, als ik me niet vergis, dus het maakt sowieso niet uit.

In groep 3 trouwens, toen ik nog wel bij Jelle in de klas zat, had Jelle altijd een enorme bril op. Daar keek hij dan niet al te snugger achter vandaan de wereld in. Ook had hij steevast een enorme bel snot uit een neusgat hangen. Jelle snottebelle was het dan, want kinderen zijn inventief.

Iedere maandag vertelden we in de kring over ons weekend. Ik vertelde steevast dat ik van vrijdagmiddag tot zondagavond was wezen voetballen, Jelle vertelde altijd dat zijn vader hun auto total loss had gereden, en dat die oude Ford Escort waarin hij rondreed in feite gloednieuw was. Ik geloof niet dat iemand er ooit wat van zei.

Van rozenbottelzaadjes werd vroeger altijd gezegd dat die dingen ontzettend gingen jeuken. Ik wist nooit of dat echt zo was, maar het was wel behoorlijk stoer om oorlogen uit te vechten met die dingen. Voor je ze naar de vijand gooide, scheurde je ze even open, hopend dat de zich verspreidende zaadjes grote schade aan zouden richten achter de linies. Rozenbottels waren de daisy cutters van mijn jeugd.

Hoe dan ook, dankzij Jelle weet ik dat die zaadjes inderdaad ontzettend jeuken. Hij wreef ze, nadat ie was blijven zitten en bij haar in de klas terecht was gekomen, een keer bij Annelies in haar nek. Samen met meester Wim heeft ze een middag zitten spoelen en wrijven, en toen jeukte het nog.

Daar dacht ik zomaar aan toen ik dacht aan de aankomst van Sint Piter, die ik dit jaar heb gemist. We hebben daar op het ijs nog wat sneeuwballen staan gooien, en toen ben ik waarschijnlijk naar de bakkerij van ome Rein en tante Jopie gegaan, want daar was meestal gezelligheid en altijd lekkers.