donderdag, mei 29, 2008

Saharazand, in feite fokking niet normaal

Het bericht komt eens in de zoveel tijd voorbij. De zuidelijke windstromen die het warme weer van deze dagen veroorzaken, voeren ook een laagje Saharastof mee, schrijft de NOS ditmaal. Saharazand – deze keer meeliftend met een heuse Afrikaanse heteluchtwolk – in het landelijke nieuws. Dat vínd ik niet alleen mooi, het ís het ook.

Mooi voor de wasstraten in Nederland. Een halve dag neervallend Saharazand en alle auto’s zijn ranzig. Waar je ook kijkt, ze zitten er helemaal onder. Alsof ze net zijn opgegraven bij Paal 18. Wat ik zeg: gouden tijden voor de wasstraten.

Mooi ook voor de zandbakken in Nederland, en meer nog voor de duinen. Het zal nooit heel hard aankomen, maar in deze tijd van globale opwarming en stijgende zeespiegels helpen alle beetjes, dus we mogen blij zijn dat de Sahara onze verdedigingslinie tegen het wassende water komt versterken.

Ik las ergens dat het Saharazand behalve grijs ook rood kan zijn. Dat is toch mooi: het EK voetbal voor de deur en in Nederland kleuren zelfs de duinen oranje. Doet het ook leuk op Google Earth.

Maar het is vooral ook mooi omdat het een wereld aan associaties oproept. De mededeling alleen al: er valt Saharazand. Dan denk je gelijk dat het ook echt pijpenstelen kan regenen. En überhaupt het wonder: zand op de auto’s in Markelo, afkomstig uit een woestijn duizenden kilometers verderop. Om met Jaap te spreken: dat is toch fokking niet normaal!

Saharazand, ik vind dat we zoiets ieder jaargetijde moeten hebben. In de lente een wolk Wasa uit Zweden, in de herfst een vlaag Chinese rijst, en in de winter een snuifje Colombiaanse coke, voor een witte en vredige kerst.

woensdag, mei 28, 2008

Opperste staat van paraatheid

De Ramp. Of beter nog: de Aanslag. Het zou natuurlijk kunnen dat ie ons land eens een keer treft. Niemand weet wanneer, en niemand weet waar of hoe, maar één ding is zeker: als het gebeurt, dan zijn we allemaal de sigaar.

Dat is logisch.

Vooral voor wie wel eens heeft meegemaakt wat er gebeurt wanneer Nederlanders worden geacht in de overlevingsstand te schieten. Dinsdag nog: een verdacht pakketje in een trein bij Amsterdam Centraal. Hulpdiensten in opperste staat van paraatheid, alle treinen stil en het station ontruimd.

Maar bij het getroffen volk zie je dan geen bezorgdheid of betrokkenheid over de veiligheid van de natie. Niks daarvan. Men wil naar binnen, de trein in, naar huis, want GTST begint straks en er moeten ook nog boodschappen worden gedaan.

Laatst, een bijeenkomst in Utrecht en het alarm gaat af. Eerst kijkt iedereen elkaar verstoord aan. Wat vervelend nou, die herrie terwijl we net een beetje op gang zijn. Voor hetzelfde geld baant een oplaaiend vuur zich een weg naar het zaaltje, maar die gedachte komt bij niemand op.

Ook niet in de rest van het gebouw. Op de gang drentelen een paar mensen heen en weer. Sommigen benutten het moment om koffie te gaan halen, anderen duiken het toilet in.

Natuurlijk, zo’n vaart zal het nou ook weer niet lopen met Ramp en Aanslag. De Russen schieten voorlopig alleen op de buren, de Amerikanen zijn nog wel even matties met ons, en vanaf zo’n terroristisch trainingskamp is het een heel eind met de bus. En het zou ook niet goed zijn, als iedereen bij het minste of geringste onder z’n bureau dook.

Maar van de andere kant: we hebben geen idee wat dat is, anticiperen op een maatschappijontwrichtende gebeurtenis. Verder dan zeggen dat ‘ze’ een beetje normaal moeten doen, komen we niet. Aanslag of Ramp dient zich aan, en wij boren collectief een mengsel aan van apathie, onbekommerdheid en zal zo’n vaart niet lopen.

We zijn als dat konijntje in je koplamp: je weet dat ie wil overleven, maar bewegen doet ie niet.

maandag, mei 26, 2008

De dingen die je niet ziet

Oké, wat is te zien op deze foto, die ik afgelopen zaterdag in Apeldoorn nam? Duidelijk is meteen dat het een stralende dag is, dat twee voetbalteams tegenover elkaar staan, en dat de scheidsrechter niet de moeite heeft genomen een shirt van een onderscheidende kleur aan te trekken.

Wat je niet ziet is dat op omliggende velden nog tal van wedstrijden worden gespeeld. Alle teams hadden daarbij één enkel doel: het winnen van de GPD Cup. Ieder jaar spelen de regionale dagbladen die samenwerken in de Geassocieerde Pers Diensten om die bokaal, met steevast een samengeraapt ploegje voetballers – alleen als zodanig te herkennen door de noppen onder hun schoenen.

Wat je ook niet ziet is dat het veld kurkdroog en keihard is. Op het veld lag bovendien veel zand, met name in het doelgebied. Bij iedere reflex van een keeper was het even wachten tot de stofwolken waren opgetrokken, voor je kon zeggen of er was gescoord.

Maar wat je vooral niet ziet is de frustratie bij veel van die hobbelende semisporters. Zo’n toernooi gaat natuurlijk nergens om, maar vertel dat maar eens aan die mannen van middelbare leeftijd die zichzelf als onontdekt talent beschouwen.

Steeds die verbolgen gebaartjes, constant het gezeur en gezeik tegen scheidsrechter en assistent-scheidsrechter (de man die vroeger grensrechter heette). En natuurlijk nu en dan gemeen natrappen, vooral na een succesvolle passeerbeweging van een tegenstander. Want uitgespeeld worden, dat kan natuurlijk niet.

Dat zie je dus allemaal niet op de foto. Oh, en wat je dus ook niet ziet: dat het harde veld ook voor enorme spierpijn the day after zorgde. Pijn op plekken waarvan je niet wist dat er spieren zaten, culminerend in algehele immobiliteit. Terwijl ik dit tik, vraag ik me alweer af hoe ik straks ooit weer uit mijn stoel kom…

vrijdag, mei 23, 2008

Hoi Rutger, hoe is het met jou?

Laatst beleefde ik een ontzettende retrotrip. Je hebt dat wel eens: in gedachten ga je terug in de tijd, je bent er weer, daar in dat moment. Dat had ik. Maar niet eerder had ik het zo erg en zo lang.

Het was namelijk zo: ik ruimde mijn kamer op. Kamer opruimen, dat is iets dat pubers van een jaar of dertien doen, meestal omdat het moet van hun moeder. Ik ruimde in dit geval mijn ouwe kamertje op omdat hij grondig ging worden aangepakt door heit en mem. De kinderen zijn de deur uit en dan gaan ze dingen verzinnen. Tuin op de schop, nieuw meubilair, de zolder overhoop.

Halleluja, wat had ik in de loop der jaren een berg spullen verzameld in die kamer! Het kwam uit alle hoeken en gaten: oude agenda’s, volgeschreven schriften, gewonnen sportmedailles en vergeten herinneringen. Ik zat daar, ik ruimde op, en ik beleefde mijn jeugd nog een keer.

Van sommige dingen die ik tegenkwam is nu amper nog te bevatten dat ze intensief werden gebruikt. Die stapels videobanden, of die ladingen diskettes. Andere dingen waren gewoon aardig om nog eens terug te zien. Zoals die ansichtkaarten uit 1994, met steevast de meest nietszeggende teksten.

Hoi Rutger, hoe is het met jou? Hier op de camping is het erg leuk. Het is wel heel warm, maar gelukkig is er een zwembad. Groetjes!

Dat werk.

Wat ik ook tegenkwam, waren exemplaren van de Peppil, de schoolkrant van toen, waarvan ik geen idee heb of ie nog verschijnt, en de ter gedachtenis aan René Dam, waaruit de foto hierboven komt. Op 23 april 1995 werd René Dam gedood in het centrum van Heerenveen, nadat één uit een groepje dronken ruziezoekers hem in het hart stak.

Meindert Tjoelker ging pas in 1997, dus het heette toen nog geen zinloos geweld, maar dat maakte het drama niet minder groot. Ik kende René Dam helemaal niet, hij was vier jaar ouder, maar op school maakten de verslagenheid, de stiltes en de plechtigheid diepe indruk.

Omstanders probeerden vergeefs het bloeden te stoppen. De jongen is op weg naar het ziekenhuis overleden, schreef de Leeuwarder Courant. Dat beleef je dan dus ook nog een keer, tijdens zo’n retrotrip. René Dam was zeventien jaar oud en is al dertien jaar hartstikke dood.

Ruud Heus en Henk Fräser, onder andere

Deze week was de finale van de Champions League. Finales zijn nooit een stuiver waard, dat zul je straks bij het EK ook weer zien, als je er helemaal voor bent gaan zitten bij de verkeerde wedstrijd, maar deze was erg goed te doen.

Mooi ook dat Cristiano Ronaldo eerst een pingel miste voor United en daarna nog John Terry voor Chelsea. Lekker veel drama. Jammer was weer wel dat uiteindelijk Nicolas Anelka faalde. Het was voor Edwin van der Sar, de kijkers thuis en de mensheid in het algemeen toch mooier geweest wanneer de misser was gekomen van een heus clubicoon – of anders Roman Abramovich zelf. Mocht niet zo zijn.

Vroeger keek ik het voetbal op zondagavond altijd op de bank met heit, en soms ook Jelmer. Dat was dan na het eten en ik ergerde me altijd wezenloos. Ik had besloten dat ik voor Ajax was, en vond de rest daarom ontzettend vervelend.

Eric van der Luer, Jean-Paul de Jong, ik kon ze niet uitstaan. Eigenlijk irriteerde iedereen me. Ruud Heus, Ron Spelbos en Hans Kraay senior. Henk Fräser, Peter Bosz en Hans Kraay junior.

Enzovoorts.

Ik dacht destijds dat ik écht de pest had aan al die spelers, hun clubs en al die analisten, totdat ik erachter kwam dat het soms gewoon lekker is je te ergeren. Daar kun je dan zo sarcastisch en cynisch mogelijk ruchtbaarheid aan geven, en er dan met zijn allen om lachen.

Dat is ook de reden dat ik zulke goede herinneringen bewaar aan die gids in die bus in Barcelona. Die wist echt helemaal niks en dat was ontzettend irritant. We hebben er erg veel lol om gehad.

Zo weet ik ook nog goed hoe er – misschien alweer een decennium geleden – bij ons thuis werd gesproken over Jeroen Grueter, die toen net was begonnen als commentator voor de NOS. We maakten hem helemaal af. Overigens: wat hij deed wás ook erg slecht. Hij las teksten voor bij samenvattingen, en slaagde erin dat te doen zonder enige emotie of intonatie.

Maar zie, Jeroen Grueter kreeg de kans het vak te leren, en nu is hij een van de beste commentatoren in Nederland. Hij becommentarieert een wedstrijd nog niet zoals Frank Snoeks dat kan, maar hij het scheelt weinig. Grueter deed woensdag ook de regie bij de Champions League-finale in Moskou, en hij maakte geen enkele misser.

Gelukkig was de regie erg slecht. Constant als je wilde weten wat er op het veld gebeurde, zat je te kijken naar een indringende close-up van een van de trainers. Kon ik me toch nog heerlijk ergeren.

vrijdag, april 25, 2008

De belichaming van nietszeggendheid

Goed, daar gaan we. Ik kan me de tijd nog heugen dat er op tv nog wel eens spontane gesprekken werden gevoerd. Dat ging zo: de interviewer ging er eens goed voor zitten, want hij was oprecht geïnteresseerd in zijn gast, en vervolgens, nadat hij ‘hoi’ had gezegd, vuurde hij alle vragen die in hem opkwamen af op de geïnterviewde, die best wel zenuwachtig was, want het was toch televisie. Het resultaat: een heus interview.

Nu zie je dat nergens meer. Ja, bij Het Gesprek. Maar dat is weer het andere uiterste.

Bij Het Gesprek kabbelt het maar en kabbelt het maar. Als een lieflijk stromend bergbeekje dat ook niet precies weet waar het naartoe wil. Besluiteloos, doelloos, zinloos. En dus ook kijkerloos. Maar ze doen tenminste een poging het ergens over te hebben.

Op de overige zenders moet het allemaal snel-snel en hap-snap. Gasten worden vooraf volledig gedresseerd, waarna ze in drie minuten hun kunstje doen. Dan zegt de gastheer: Bedankt! Of hij wendt zich gewoon tot een volgende gast.

Er is echter één omroep die zich niets aantrekt van deze trend, en dat is de NOS. Een decennium geleden had Studio Sport al de traagste en lodderigste onder de analytici: Ron Spelbos (die een goed excuus had: hij had last van zijn hart. Maar vraag hem dan niet als analyticus), en nog steeds halen ze de sufste mensen naar de studio om te komen vertellen waarom Feyenoord geen kampioen is geworden.

Studiogasten en analytici worden bij de NOS waarschijnlijk al eeuwenlang geregeld door een ouwe graftak, die het wel fijn vindt wanneer de audiovisuele actie zich tot een minimum beperkt.

Inderdaad, daar zijn we mooi klaar mee.

Zo kon het ook gebeuren dat Danny Blind van de week een wedstrijd in de halve finale van de Champions League mocht komen bespreken. Danny Blind, saaier kan het echt niet. Danny Blind is de belichaming van nietszeggendheid. Danny Blind downplayt relativerende opmerkingen.

Het was nog wel zo’n spectaculair duel. Met Christiano Ronaldo, Messi, Rooney, Krkic, Iniesta, enzovoorts. Had Danny Blind geen boodschap aan. Danny Blind benadrukte constant dat het allemaal wel wat meeviel.

Op het veld was de ene actie nog virtuoser dan de ander, maar toen Danny Blind werd geconfronteerd met het mooiste hakje van het jaar, waarbij Iniesta na een inspeelpass van Messi Eto’o vrij voor de doelman zette, zei Danny Blind: Ja, maar goed, dat is Iniesta. Je weet dat ie dat kan.

Pff.

Op zeker moment wilde Tom Egbers een bruggetje maken naar Edwin van der Sar, de keeper die zo graag nog eens de Champions League zou winnen. Tom zei: Danny, het is dertien jaar geleden dat je de Champions League won, waarop Danny Blind halverwege meteen interrumpeerde: We! Want hij had hem immers niet alleen gewonnen.

Maar goed, dat weet je, van Danny, dat ie zo is.

woensdag, april 09, 2008

Dat eeuwige ribding

Vrijdag zijn we naar Alain Clark geweest. Dat wil zeggen, Alain Clark kwam naar een afgesproken plaats, en daar speelde hij samen met een groepje muzikanten een serie liedjes van zijn cd. Een concert, heet dat, en wij waren erbij.

Het was niet het soort gebeurtenis waarvan je later zegt: Ik was erbij toen Alain Clark in Tivoli optrad. Jaa, ik was erbij. En ik weet het nog goed. En dan diep ademhalen en legendarische wederwaardigheden opdissen. Nee, dat zal niet gebeuren. Over twee maanden staat Alain Clark namelijk weer in Tivoli.

Het is trouwens alweer een tijdje geleden dat er een gebeurtenis plaatsvond waarvan je nog precies weet wat je die dag verder allemaal deed, en wat je eerste reactie was. Ik had wat dat betreft high hopes voor Fitna, maar dat project loste de belofte niet in. Het was net de Champions League: je gaat straks zitten voor de finale, maar heftiger dan de kwartfinale tussen Liverpool en Arsenal wordt het toch niet.

Ik voorzag heftige taferelen als gevolg van Fitna, na alle overtuigende waarschuwingen van onze premier van alle Nederlanders. Daardoor voorzag ik ook: gezellig online de reacties monitoren, vanaf de bank de actualiteitenrubrieken afstruinen op zoek naar nieuwe inzichten van heuse deskundigen, en een extra krant kopen om te bewaren.

Ik was er klaar voor. De aanvraag voor een vrije dag lag al klaar.

Maar het bleek niet nodig. Oké, er werden her en der vlaggen verbrand en mensen bedreigd, maar dat verschilt maar weinig van wat er staat te gebeuren als Nederland er straks bij het EK in de eerste ronde uitvliegt. Laakbaar inderdaad, maar niks uit of the ordinary.

Hoe dan ook, het concert van Alain Clark was zeer de moeite waard. Het mooie aan livemuziek is altijd dat een nummer dat op de radio na drie minuten verveelt op het podium oneindig kan worden opgerekt, en ondertussen beter en beter wordt. Zo ging het vrijdag ook. Mooi was dat.

Waar ik eigenlijk alleen een probleem mee had, was de outfit van Alain Clark. Zoals gebruikelijk droeg hij een donkere broek, een wijd overhemd met daaroverheen een giletje, en dat bekende petje. Vooral dat bekende petje gaat me zo langzamerhand tegenstaan. Zoek op afbeeldingen van Alain Clark en je encountert niets dan petjes.

Zonnekleppen, mutsen en hoedjes, die ook, maar meestal toch dat eeuwige ribding.

Ik ben er klaar mee. Vandaar dat ik met graagte het bericht verspreid dat Alain Clark nog kaler is dan zijn vader Dane. Er zit zelfs bijna geen haar meer op zijn schedel! Ja meisjes, het is waar, die leuke krulletjes die onder zijn petje vandaan komen zijn nep. Ingevlochten in datzelfde petje.

Dat jullie daar maar aan mogen denken, kijkend naar dat hoofd boven dat giletje, op die poster boven jullie bed. Of waar dan ook.

vrijdag, maart 28, 2008

Melig is gewoon vet

Melig is een woord dat ik vroeger verschrikkelijk vond. Ik zal een jaar of twaalf zijn geweest toen ik het voor het eerst hoorde. Dat gebeurde via Annelies, ik weet dat zeker. Die was thuis dan och sa melig en dat vond ik maar niks. Melig, een woord uit de Tina. Een woord voor meisjes, voor wijven.

Er zijn niet veel woorden waarvan ik ontstaan en inburgering bewust heb meegemaakt, maar melig is er een van. Vet is er ook één. Dat was een jaar of wat later. Vet was helemaal nieuw toen ik een jaar of dertien was.

Dan liep je met een groepje op Nike Air Max en in Levi’s 501 over straat, op weg van nergens naar onbekend, en dan riep er weer iemand dat iets toch echt heel erg vet was. De nieuwe single van DJ Paul Elstak bijvoorbeeld.

Als ik in die tijd vet hoorde, dan dacht ik aan frituurvet. Kroketten. En die zag ik dan ook voor me. Bij de toffe associatie van vet kon ik me niks voorstellen. Maar inmiddels kun je mij gewoon tegen beppe horen zeggen dat de vakantie echt heel vet was.

De foto hierboven is ook erg vet. En wat net zo waar is: voor het maken van zo’n foto moet je in een melige bui zijn.

Het was de dag dat Janne en ik op wintersport gingen. Henk en Fetsje kwamen op bezoek en we wandelden de stad in. Bij Bigoli kochten we een broodje en dat aten we op in een waterig zonnetje.

We keken daar uit op een alternatief soort fontein. Een geheel van buizen en gootjes dat constant een kletterend geluid maakt. Daar moet je ook maar van houden.

Een paar toeristen nam een soortgelijke foto. Een flauwe grap die ik wel kon waarderen. Lekker melig. Henk, die dit jaar vijftig wordt, kon het ook waarderen, wat in zijn voordeel spreekt. Vandaar dat de foto werd gemaakt. Henk met installatie, heet-ie.

Poepen, dat is gewoon niet leuk

Poepen, ik vind het maar niks. Je hebt van die dingen, daarvan krijg je na verloop van tijd steeds beter in de gaten dat je er een hekel aan hebt. De ergernis sluimerde altijd al onder oppervlakte. Je had niks in de gaten, maar hij was er.

Als zoiets dan boven komt drijven dan mag je jezelf gelukkig prijzen. Zoveel mensen sterven vroeg door een overvloed aan onderhuids borrelende ergernis. Dat kun je maar beter niet hebben. En belangrijker nog: maar weinig dingen zijn zo fijn als een lekkere ergernis.

Ik heb het bijvoorbeeld vaak als ik voor de tv zit. Dan erger ik me een hoedje, waarna Janne vraagt waarom ik dan met haar meekijk, als ik er toch niks aan vind en steeds alles afzeik wat over het beeld trekt.

Maar ze beseft dan niet dat dat nou juist het leuke is: je groen en geel ergeren. De gaten in het plot. De genepte emoties van de presentatrice. Heerlijk.

En zo heb ik dus ook een hekel aan poepen.

Toch is dat ook weer anders. Ik zit erger me niet, achter die deur op de pot. Maar ik geniet er ook niet van. Andere mensen doen dat wel. Dat weet je als je bij hun thuis naast de pot de inhoud van een gemiddelde bibliobus ziet liggen. Zulke mensen broeden eeuwig boven hun lichtverteerbare lectuur, stiekem genietend van opstijgende dampen.

Ik vind er niks aan. Poepen is een hinderlijke onderbreking, waar je ook mee bezig bent. Je leest de krant, je moet poepen. Je zit in de tuin, je moet poepen. Je neemt een eerste hap van je pistoletje ham-kaas, je moet poepen. Dat is gewoon niet leuk.

Maar het vervelendst is het altijd nog als je moet poepen, eigenlijk, maar het op dat moment niet uitkomt naar de plee te gaan. Dat had ik laatst. Er zou tussen 9.00 en 12.00 uur een monteur komen voor de cv-ketel. Het was 9.10 uur en ik dacht: ik moet poepen.

Tegelijkertijd dacht ik: ik ga nu mooi niet zitten poepen, want dan zul je net zien, ben ik net aanbeland bij fase twee, gaat de deurbel.

Dus ik wachtte. En ik wachtte. Het werd allemaal hoe langer hoe ellendiger. En die monteur, die kwam natuurlijk helemaal niet. Lekker. Zulke ervaringen maken mijn verstandhouding met poepen er niet beter op, dat spreekt.

vrijdag, maart 07, 2008

Kruipend naar je kamer in hotel Red Eagle

Het duurt niet heel lang meer, namelijk nog één nacht slapen, en dan gaan we een weekje skiën. Zes dagen lang van lift naar lift, van berghut naar berghut, van apfelstrudel naar apfelstrudel.

Meer dan bij een zonvakantie of een stedentrip ben je bij een skivakantie afhankelijk van de omstandigheden. Zonder sneeuw begin je niks. Daar komt dan nog bij: het is niet gauw goed. Je wilt natuurlijk dat er veel sneeuw ligt, maar tegelijkertijd: sneeuw komt uit wolken en die gaan zo voor de zon zitten. Dat wil je ook niet.

We waren van plan om naar een Frans appartement te gaan. Het is een Oostenrijks hotel geworden. Een last minute skireis bleek nog lastig te vinden, en dus nemen we een week lang ons intrek in hotel Red Eagle.

Dat klinkt inderdaad weinig romantisch. Red Eagle. Je denkt al gauw aan all you can eat hamburgerfestijnen, tl-buizen en rodeo nights. Maar het hotel staat toch echt in Tirol, er liggen pistes bij en voor de deur stopt een skibus. Dat moet dus ook wel weer goed komen.

Eerst kwam Sietse op de proppen met de mededeling dat zich in onze Red Eagle een disco bevindt. Dat wordt weinig slapen en kruipend naar de kamer, voorspelde hij. Goed nieuws, wij hebben de voorzieningen graag op kruipafstand.

Toen meldde Lieneke zich. Volgens haar is Kirchberg een oord waar liefhebbers van happy hardcore en Hollandse meezingers uitstekend aan hun trekken kunnen komen. Het goede nieuws stapelt zich op. Hopelijk worden de genres afwisselend in dezelfde tent gedraaid, dan hoeven Janne en ik er niet apart van elkaar op uit.

Vervolgens ging Janne eens googlen op ‘Red Eagle Kirchberg’. Het blijkt dat veel Eaglegangers niet zijn te spreken over de maaltijden in het hotel. De kipfilet smaakt er naar vis, meldt de één. Een ander klaagt dat hij moest bijbetalen voor een banaan. Helaas vermeldt hij niet of het een Chiquita betrof of een huismerkbanaan, en evenmin wat ze hem er in Kirchberg voor rekenden.

Verder melden opvallend veel bezoekers dat Red Eagle vaak overboekt is, waardoor ze hun vakantie uiteindelijk niet in hotel Red Eagle zelf hebben beleefd. Ik hoop niet dat ons dat overkomt, want ik wil de Red Eagle experience wel eens meemaken. En mochten we niet terugkomen: we houden van jullie, stem met je hart en eet twee stuks fruit per dag. Minstens.

Sint Piter, rozenbottels en een oude Escort

Sint Piterdei, dan grienet de wei, dan bakt mem stro, dan keallet de ko, dan leit de hin, dan hat de húsman it nei syn sin. Kijk, dat is klare taal. Schrijver van het liedje Eeltsje Halbertsma bedoelde maar: Sint Piter rockt de kasba.

Het is alweer een tijdje terug dat de beste man cadeaus bracht (voor mij geen sokken, dus ik mag niet mokken), maar Zijn bezoek kan ik fansels niet zomaar voorbij laten gaan. Dus bij deze.

Volgens mij behoor ik tot één van de laatste generaties die Sint Piter op het ijs heeft zien aankomen. Normaal gesproken komt ie altijd met de rondvaartboot van Van der Zweep. Die vaart dan van de opstapplaats naar de kade, een afstand van een paar honderd meter. Daarna gaat Piter op een paard zitten, dat voor hem de vijftig meter naar het dorpsplein overbrugt. Daar vertelt ie dan aan de verzamelde menigte hoe blij hij is dat hij de tocht naar Grou weer heeft volbracht.

Maar goed, vroeger, als er ijs lag en het was dik genoeg, dan kwam de goedheiligman met de belslide naar Grou. En ik heb dat een keer meegemaakt. Stonden we met het hele dorp op een ijslaag van een halve meter te wachten tot de Sint aan kwam glijden op zijn slee, met een stuk of wat Fryske hynders ervoor.

En altijd als het dorp nog stond te wachten, zat Zwarte Piet, toen nog gespeeld door Addie, wild zwaaiend op de spits van de kerk. Of op een andere plaats die hoog en zichtbaar was. Dat was altijd mooi, want Addie was een echte Piet. Hoe hachelijk zijn voorstelling feitelijk ook was, hij bleef maar enthousiast zwaaien.

Dat jaar sjokte ik niet achter Sint Piter aan naar het dorpsplein. Ik bleef achter op het ijs met Jelle, die vroeger bij mij in de klas zat, maar later niet meer, omdat ie niet zo slim was en daardoor een keer niet overging. Destijds woonde hij ook alweer een tijdje in Bolsward, als ik me niet vergis, dus het maakt sowieso niet uit.

In groep 3 trouwens, toen ik nog wel bij Jelle in de klas zat, had Jelle altijd een enorme bril op. Daar keek hij dan niet al te snugger achter vandaan de wereld in. Ook had hij steevast een enorme bel snot uit een neusgat hangen. Jelle snottebelle was het dan, want kinderen zijn inventief.

Iedere maandag vertelden we in de kring over ons weekend. Ik vertelde steevast dat ik van vrijdagmiddag tot zondagavond was wezen voetballen, Jelle vertelde altijd dat zijn vader hun auto total loss had gereden, en dat die oude Ford Escort waarin hij rondreed in feite gloednieuw was. Ik geloof niet dat iemand er ooit wat van zei.

Van rozenbottelzaadjes werd vroeger altijd gezegd dat die dingen ontzettend gingen jeuken. Ik wist nooit of dat echt zo was, maar het was wel behoorlijk stoer om oorlogen uit te vechten met die dingen. Voor je ze naar de vijand gooide, scheurde je ze even open, hopend dat de zich verspreidende zaadjes grote schade aan zouden richten achter de linies. Rozenbottels waren de daisy cutters van mijn jeugd.

Hoe dan ook, dankzij Jelle weet ik dat die zaadjes inderdaad ontzettend jeuken. Hij wreef ze, nadat ie was blijven zitten en bij haar in de klas terecht was gekomen, een keer bij Annelies in haar nek. Samen met meester Wim heeft ze een middag zitten spoelen en wrijven, en toen jeukte het nog.

Daar dacht ik zomaar aan toen ik dacht aan de aankomst van Sint Piter, die ik dit jaar heb gemist. We hebben daar op het ijs nog wat sneeuwballen staan gooien, en toen ben ik waarschijnlijk naar de bakkerij van ome Rein en tante Jopie gegaan, want daar was meestal gezelligheid en altijd lekkers.

donderdag, maart 06, 2008

De meisjes in gesprek trimmen

Als na twintig jaar stopt met voetballen heb je ineens veel meer vrije tijd, dat is zeker waar. Zeeën van tijd die je kunt vullen met televisiekijken, op de bank zitten, op de bank zitten televisie kijken, en eten. En ja, ik weet dat je bij voetbal ook op de bank kunt zitten.

Bottom line is dat voetballen over het algemeen beter voor je conditie is dan bankhangen. En zo kon het gebeuren dat ik de edele hardloopsport heb opgepakt. Een paar keer per week – is de bedoeling – loop ik me het leplazerus over de Utrechtse straten.

Ik schaam me daar helemaal niet voor, waarom zou ik ook. Maar als ik het aan iemand anders vertel dan voel ik me toch altijd een beetje ongemakkelijk. Want hoe noem je dat nou eigenlijk, die bezigheid?

Volgens mij ben ik opgegroeid met de term ‘trimmen’. Mijn eigenste heit ging namelijk altijd ‘trimmen’. Maar je hebt ook mensen die gaan ‘joggen’. Ik houd het de laatste tijd maar gewoon op hardlopen. Dat is uiteindelijk ook wat het is.

In Grou ging ik voorheen ook wel eens hardlopen en dan trok ik de wijde wereld in. Het dorp was je zo uit, en dan liep je langs weilanden en log kijkende koeien. In Utrecht kan ik ervoor kiezen de wijde wereld in te gaan, ook langs weilanden, maar liever loop ik door de stad.

Hoe vaker ik loop, hoe makkelijker dezelfde afstand me afgaat, hoe verder ik moet lopen om mijn conditie te verbeteren. Dat is een probleem. Want ik wil een goede conditie, maar ik heb weinig zin om een paar keer in de week een paar uren kwijt te zijn met hardlopen omdat mijn conditie nu eenmaal zo goed is.

Maar goed, dat is van later zorg. Zo hard loop ik nou ook weer niet van stapel.

Het liefst loop ik op doordeweekse namiddagen. Dan kom je allemaal forenzen tegen. De hele stad verplaatst zich. Mensen fietsen benen haasten zich over de straten en ik laveer er zo’n beetje tussendoor.

’s Avonds laat hardlopen is ook leuk. Er openbaart zich dan altijd een interessant fenomeen. Alle meisjes die ik in het donker passeer, zijn telefonisch in gesprek. Nu weet ik dat meisjes veel bellen, maar een score van bijna honderd procent bellende meisjes op de fiets kan niet kloppen.

Het moet frustrerend zijn voor al die meisjes. In Utrecht stikt het van de trimmers, joggers en hardlopers. Hele horden kom je er tegen in de stad. En iedere keer weer moeten die meisjes hun telefoon uit hun tas of jas vissen en een gesprek neppen. Zo kom je aan bellen niet meer toe.

dinsdag, februari 19, 2008

Bagdad, altijd lachen

Heb ik net van de week de mooiste foto van 2008 aangewezen, staat er meteen een directe concurrent in de krant. Een vrolijk plaatje, in Bagdad geschoten door een fotograaf van AP. Inderdaad, wordt er in Irak ook eens iets vrolijks geschoten.

Het gaat om een huiszoeking in het holst van de nacht, vermeldt het bijschrift. Soldaten betraden zijn huis en lichtten hem van zijn bed, maar de Irakees op de bank kan er niet mee zitten. Hij maakt een lolletje met de soldaten die op zijn deur bonsden. Samen gieren ze het uit.

Dat is ook meteen het mooie aan de foto: dat iedereen zich een ongeluk lacht. De soldaat, de Irakees, en de vrouw die waarschijnlijk zijn moeder is. Zou ze het zo hebben uitgegierd dat ze van de bank is gedonderd?

Waarschijnlijk niet. Ze lacht vooral met haar ogen, want voor vreemd bezoek laat je je als vrome vrouw niet al te zeer gaan. Met haar ogen kijkt ze ook recht in de camera, waardoor ze de fotograaf onderdeel maakt van het feest.

De Irakees op de bank staat er ook mooi op. Hij zit fanatiek te gebaren. Misschien gaat het wel over de Super Bowl en is hij blij dat New York heeft gewonnen. Wie zal het zeggen.

En dan is er nog de soldaat. Hij maakt het tafereel helemaal af. Hier zit een fully equipped eenmansleger, opgetuigd en uitgerust met het meest moderne materiaal, te giechelen als een klein meisje.

Die lichaamstaal kennen we van de mogelijke nieuwe first lady van de Verenigde Staten, Bill Clinton, die zich het zweet op de rug giechelde tijdens een persconferentie met Boris Jeltsin.

Ook hier hangen de schouders van de soldaat naar binnen, en staan zijn knieën en voeten naar elkaar toe. Zijn helm heeft zijn maar even op de grond gelegd.

Wat nog geen rogue state is gelukt, lukt een wakkere Irakees op een bank in Bagdad: Amerikaanse troepen in volledige onmacht.

vrijdag, februari 15, 2008

Het beloofde huishoudland

Normaal gesproken heb je een ochtendspits en een avondspits. ’s Ochtends gaat iedereen naar zijn werk en zijn wegen en openbaar vervoer overvol, en ’s middags gaat iedereen weer naar huis en gebeurt hetzelfde. Maar nu stond ik rond elf uur op Utrecht Centraal op een afgeladen perron.

Overal stonden vrouwen. Jonge vrouwen, oude vrouwen, dikke vrouwen, dunne vrouwen, druk pratende vrouwen, gespannen kijkende vrouwen. Allemaal verschillende soorten vrouwen, maar met één overeenkomst: ze droegen gemakkelijke schoenen. Ze gingen naar de huishoudbeurs.

Even later zat de trein mudjevol. Vrouwen in stoelen, in gangpaden en op de balkons. Nou heb ik niks tegen vrouwen, integendeel, maar huishoudbeursvrouwen zijn een geval apart. Ze verkeren in een permanente staat van opwinding, en laten dat merken met een luid gekakel. Alsof je in de bus zit tijdens het eerste schoolreisje van groep 4.

Het volume van mijn iPod stond behoorlijk hoog, maar desondanks kreeg ik alles mee van wat er werd besproken. Er was van de week weer een vel zegels vol gespaard, manlief zou om half acht met de auto bij het Brabantse station staan, en oh wat zijn we blij dat het zonnetje schijnt.

Na twintig minuten boemelden we Amsterdam in. Het huishoudvolk verdraaide zich de opgezette knieën om goed naar buiten te kunnen kijken. Dit was ten slotte De Grote Stad!

Bij station Amsterdam RAI stroomde de trein leeg. Een schier oneindige colonne daalde met de roltrap af naar het beloofde huishoudland, voor ongetwijfeld een spannende en enerverende dag vol boentips, wastrucjes en gratis proefflaconnetjes.

Laat ons daarom bidden voor de jongen met het Craft-zeiljack die in de trein tegenover mij zat. Nog geen dertig jaar oud moest ook hij uitstappen bij Amsterdam RAI. Zijn vriendin droeg een afritsbroek.

maandag, februari 11, 2008

Een verlangen naar diepte

2008 is nog niet heel lang onderweg, en we krijgen het EK voetbal, de Olympische Spelen en vooral de Amerikaanse presidentsverkiezingen nog, allemaal waar, maar toch: de beste nieuwsfoto van 2008 is reeds gemaakt.

Van de week werden de prijzen voor de mooiste journalistieke foto’s van 2007 uitgereikt. Winnaar was een ietwat onscherpe plaat van een Amerikaanse soldaat. Al steunend op een bunker staart hij uitgeput in het niets na een zware missie.

De Volkskrant schreef dat de keuze voor de foto een aansporing voor fotojournalisten is. Ze moeten weer gaan zoeken naar het verhaal achter de ellende. Het schrijnende verhaal moet in de krant, niet een esthetisch prachtige compositie van keiharde wreedheid.

Het mooie aan de winnende plaat van 2008 is dat hij alle drie de elementen in zich verenigt. De harde waarheid en het verhaal erachter worden beide verteld, en dat ook nog in een prachtige compositie.

Op de foto wordt een lid van de New Yorkse maffia weggevoerd na zijn arrestatie. Om met de compositie te beginnen: in feite is hier een reet in de boeien geslagen. Prachtig hoe de fotograaf die kont in al zijn glorie vast heeft weten te leggen. Fabelachtige esthetiek. Het eerste dat je je afvraagt is of ze die maffioos ooit nog in dat busje hebben gekregen. Mooi ook hoe die agent tweede van links met al zijn krachten zijn hand helemaal in die klotsende maffiaoksel laat verdwijnen.

Los van de schoonheid toont de foto een harde en confronterende waarheid, die de fotograaf tegelijk met die dikke kont in het gezicht van de kijker duwt. Zelfs voor wie wil wegkijken, is er geen ontkomen aan. In Amerika is vier op de tien mensen te dik en deze foto zet al die supersizers keihard aan het denken.

Daarbij vertelt de foto ook een verhaal. Het verhaal van de maffiaclan die in relatieve rust zijn gang kan gaan. We kennen het allemaal uit de Godfather en de Sopranos. Niet omdat die epossen een exacte weergave waren van het maffiamilieu, maar omdat het maffiamilieu zich is gaan gedragen naar de helden uit die films en series.

Op de foto zien we een real life Bacala, het dikke hulpje van een made man. Slim is ie niet, maar praten tegen de politie zal hij ook nooit. In de gevangenis kookt hij de heerlijkste pastagerechten.

Een andere klacht over de fotowedstrijd is dat de inzendingen allemaal zo eendimensionaal zijn. Ze zijn vlak, hebben geen achtergrond of diepte. Het verlangen naar diepte van de jury maakt deze foto helemaal de zekere winnaar. Want man oh man wat een diepte.

Niemand heeft erover gezwogen

Het mooie aan dat hele gedoe rondom de autobekentenissen van Joran is dat iedereen weer iets heeft om met elkaar over te praten. Zomaar een positief gevolg van een SBS6-product: sociale cohesie.

De natie is weer één. Trots op Nederland, waar iedereen weet wat wel en niet mag.

Vroeger was het nog een eitje te bepalen wat het gesprek van de dag was. Er was één televisiejournaal, daarin werd de waarheid verteld en aan de hand daarvan zette iedereen een boom op.

Tegenwoordig volgt iedereen al multitaskend alles. Waar de één vol van is, heeft de ander geen weet van, en onderling gaat het daarom op straat en in de bus al gauw over het weer.

Maar nu is er Joran, met zijn rookwaren, zijn gympies, zijn vader en zijn praatjes. Daar heeft iedereen een mening over, daarover raakt niemand uitgepraat. Joran is het weer van nu.

En waarschijnlijk blijft hij het weer ook nog wel even, nu Peter R. de Vries, misdaadverslaggever in de States is geweest om Larry King, Oprah Winfrey en andere coniferen bij te praten over de ins and outs van Joran’s leugenaarslogica en daderinformatie-uitwisseling. Dat suddert nog wel even door.

Het mooie aan de Joran-hype is dat ie voor iedereen wat wils biedt. De strafrechtexegeten gaan over de bruikbaarheid van de geheime opnames, de psychiaters maken een inschatting van Joran’s getroebleerde geest, de mediavolgers beschrijven Joran’s impact overzee, en het volk houdt een lynchpartij.

Joran is een hype waarover serieus kan worden gesproken (wat voor gek controleert nou niet of ze dood is?), maar het is ook een hype die zich uitstekend leent voor onderbroekenlol en andere geinerij. Iedereen heeft De Uitzending immers gezien. De verhuur van Range Rovers gaat door het dak.

Van de week maakte ik in de supermarkt bij de kaasafdeling mee dat een oude dametje ‘Hé maton’ naar me schreeuwde. Daarna gaf ze me een vette knipoog. Zoals alle Nederlanders snapte ik meteen waar mevrouw op zat te doelen. Ik beukte haar op de schouder en kaatste: Yo coño, ik heb gezwogen jonge, echt.

Dikke lol natuurlijk, tussen de Edammers.

En zo gaat het dus overal. Verhitte discussies en dolle pret. De Nederlandse nieuwsmedia schreven sinds De Uitzending al 1251 stukken over Joran. Als ze het langzaam afbouwen, redden we het met Joran totdat van de zomer op de Veluwe een krokodil wordt gezien.

vrijdag, februari 08, 2008

Natasja zegt hoe het is

Onmiddellijk kreeg ik medelijden met Louis. De eerste de beste wedstrijd nadat hij had bedankt voor de analyses bij SBS6, omdat Oranje het toch nooit zou leren, won het Nederlands Elftal overtuigend van Kroatië. En de analyse werd verzorgd door Natasja Froger.

Graag had ik die gezichtsuitdrukking willen zien. Het moment dat de glimlach van Natasja in beeld verscheen. Louis van Gaal denkt eerst nog aan het belspelletje, maar dan blijkt Edward van Cuilenborg aan dezelfde tafel te zitten, en introduceert hij de volkszangersvrouw als voetbalbeest.

Ik weet zeker: Louis schrok zich een hoedje.

En dan die uitslag. Louis was er helemaal klaar voor toen hij in zijn voetbalstoel ging zitten. In de startblokken voor twee keer drie kwartier zuchten, steunen en zeuren. De lange regenjas aan en het favoriete opschrijfboekje in de hand. Morgen zou hij zijn jongens van AZ op het magneetbord wel eens laten zien wat de bondscoach allemaal had gemist, qua ruiten op het middenveld en verloren gevechten om de derde bal.

Het drama voltrok zich onverbiddelijk in huize Van Gaal. Truus kon kalmeren wat ze wilde, tegen de ontwikkelingen in Split was geen zalvend woord opgewassen. Johnny scoorde, Lange Jan scoorde, en tussendoor was er die prachtig uitgespeelde aanval, die werd afgerond door de Hunt, zoals analytica Natasja Klaas Jan terloops noemde.

Het zal voor Louis een lange nacht zijn geweest.

Ik keek natuurlijk ook wel even op toen ik blonde Natasja naast Frank de Boer ontwaarde. Helemaal toen ze begon te orakelen over de wedstrijd. Ze schudde de namen zo uit haar mouw.

Zo zei ze vooraf niet helemaal zeker van een Nederlandse overwinning te zijn geweest: Ik zag Heerenveen van de week spelen. Nou, die tweede goal van Pranjic, toen ging ik me wel even zorgen maken.

En daar bleef het niet bij: En dan die Modric! Die moeten we zeker in de gaten houden.

Edward vroeg na een verhandeling van Natas over ruimte benutten op de vleugels de erkende sportkenners Frank de Boer en Tjerk Bogtstra naar hun mening over de subtoppers van het nationale elftal, waarvan er vanavond veel hadden gespeeld. Mevrouw Froger counterde onmiddellijk: Je hebt ze tijdens het EK ontzettend nodig, hè, want we zitten in een verdomd lastige poule.

En zo is het Natasja. Zo is het.

woensdag, januari 30, 2008

Het enige dat je rest: wiebelen, wiebelen

De gelukkigste man op aarde, zo voelde ik mij van de week, toen ik met een glimlach terugpeddelde van een bezoek aan de tandarts.

Even tevoren zat ik nog peentjes te zweten in de wachtkamer, me een voorstelling te maken van het ondraaglijke leed dat mij straks in die stoel zou worden aangedaan.

Wat is dat toch met tandartsen, dat zoveel mensen er zo ontzettend tegenop kijken, doodsangsten doorstaan in wachtkamer en behandelstoel, of gewoon maar nooit gaan?

Een belangrijke reden is natuurlijk dat heel veel mensen een gebit van niks hebben. Of je nou kijkt naar het vragenuurtje in de Tweede Kamer, er op let in de trein of een rondje maakt door de stad, overal duiken schots en scheve mensen op. Als rieten schuttingen na een stevige novemberstorm steken hun tanden uit het tandvlees, als ze geluk hebben allemaal in min of meer dezelfde richting.

Het is niet vreemd dat deze gebitsbeperkten in het vooruitzicht van grote ingrepen en kleine correcties de tandartsstoel mijden.

Maar mijn gebit is gezond. Toch maak ook ik me ongerust, vooral in de wachtkamer, als het niet meer zo moeilijk is mezelf in De Stoel voor te stellen. Je zit daar, naast je ligt een oude Libelle op een pallet Donald Ducks uit 1989, vanachter de deuren klinkt gesis, geslurp en bezwerend gemompel, en je denkt aan de barbaarse plannen die de beulen daar speciaal voor jou smeden.

De angst komt natuurlijk vooral door het werkgebied van tandartsen. Een gebit is als een vrouw: één en al gevoel. Een tandarts kan daarom nog zo bekwaam zijn, de vrees dat hij per ongeluk even een zenuw aantikt, al is het maar een nanoseconde, weegt met gemak op tegen al het vertrouwen dat je in hem hebt.

Daar komen de omstandigheden dan nog bij: terwijl arts en assistente in je gebit zitten te wroeten en frunniken en punniken aan je tanden, lig jij weerloos als een verlamd konijntje in die stoel. Zenuwachtig wiebelen met je voeten (wiebelen, wiebelen) is alles wat je kunt doen.

Het felle licht van de lamp, het kapje voor de tandartsmond en twee of drie apparaten tussen je kaken maken het er allemaal ook niet prettiger op.

En nu ik er zo over nadenk, wat ook niet helpt, is het plateau. Het plateau is dat tafeltje waar overheen de tandarts je bij binnenkomst zijn hand reikt. Automatisch wordt je blik getrokken richting zijn imposante wapenarsenaal. Boor, klauwhamer, diverse klemmen, graafmachines, het ziet er allemaal even onheilspellend uit.

Uiteindelijk bleef mijn verblijf in De Stoel van de week beperkt tot anderhalve minuut tandsteen verwijderen met een miniatuurslijptol. Dat was nog te overzien.

Chuck can sneeze with his eyes open

Chuck Norris, dat is me er eentje. Eind jaren vijftig, midden in de Koude Oorlog, werd Chuck door de Amerikaanse luchtmacht in Zuid-Korea gestationeerd. Chuck kwam daar in aanraking met Oosterse vechtsporten, bekwaamde zich erin, en kon zodoende decennia later opduiken als vechtkoning in schop- en slafilms als The Wrecking Crew en Good Guys Wear Black.

Daarnaast kennen we Chuck Norris natuurlijk van de hilarische komedie Top Dog, waarin Chuck schittert als zachtaardige politieman, die op humoristische wijze wordt bijgestaan door de hond uit de titel. Over cinematografische hoogtepunten gesproken.

Door deze bezigheden is Chuck Norris – vergeet trouwens ook Walker, Texas Ranger niet! – pure camp geworden. Onder studenten staat hij op hetzelfde niveau als Britney Spears en Paris Hilton: ze lachen zich een ongeluk. Sites als Chuck Norris Facts.com zijn het gevolg. De site verzamelt ‘feiten’ over Chuck, zoals:

- Crop circles are Chuck Norris’ way of telling the world that sometimes corn needs to lie down.
- The opening scene of the movie Saving Private Ryan is loosely based on games of dodgeball Chuck Norris played in seconde grade.
- In an everage living room there are 1242 objects Chuck Norris could use to kill you, including the room itself.

Het zijn deze feiten die mijn beeld van Chuck Norris bepaalden, maar waarvan ik dus ook dacht dat ze vooral werden gecultiveerd in studentenhuizen. Nou, mooi niet dus. De ‘feiten’ over Chuck Norris spelen gewoon ook een rol in de race naar het Witte Huis.

Chuck is namelijk als aanhanger van Mike Huckabee, baptistisch predikant en Republikeins kandidaat voor the Presidency of the United States of America, in één van zijn tv-spotjes verschenen. Daarin komen Chuck en ‘Huck’ met een aantal ChuckHuckFacts.

Goed bedacht van die rechtsreligieuze conservatieven, dat zeker. Chuck meldt bijvoorbeeld dat Mike Huckabee a lifelong hunter is, die daarom geschikt is om de burgerrechten te beschermen. Huckabee verklapt daarna dat er geen kin schuilgaat achter de baard van Chuck: only another fist.

Als mens, man, Europeaan, student, Nederlander, Fries, Utrechter en liefhebber van chocola vind ik die Amerikanen natuurlijk sowieso een raar volk, maar dat Chuck het verschil moet maken in de race om het Witte Huis, dat is me toch ook wel wat.

vrijdag, januari 25, 2008

Float like a butterfly, sting like a bee

Ik had het er deze week gelijk mee gehad. Jo-Wilfried Tsonga sloeg twee ballen in de kwartfinale van de Australian Open en de Eurosport-commentator repte van ‘de Muhammad Ali van het tennis’.

Daar gaan we, dacht ik. Eén neger op de baan en die hele witte tennisgoegemeente is in rep en roer. Tennisfans kijken naar negers zoals gewone mensen naar gorilla’s kijken. Als de neger dan ook nog wint, dan is ie meteen ‘de Muhammad Ali van het tennis.’

De commentator vond het geen probleem mijn vermoedens over zijn koloniale wereldbeeld te bevestigen. Tsonga noemde hij ‘een tropische verrassing’ die er volgens hem ‘massief’ uitzag, terwijl tennissers tegenwoordig stuk voor stuk spierbundels zijn.

Ook was hij erg onder de indruk van de service van de 22-jarige Fransman, ook al was die niet altijd even hard. Want ja, iemand uit de binnenlanden van Afrika bezit natuurlijk ontzettend veel oerkracht. Kijk eens wat een dreun!, riep de commentator.

Ik zat me daar al met al behoorlijk over op te winden, totdat ik erachter kwam dat ik het mis had. Jo-Wilfried Tsonga is namelijk inderdaad ‘de Muhammad Ali van het tennis’.

Het gaat niet alleen om de uiterlijke kenmerken, die aardig overeenkomen, maar vooral ook om de uitstraling van Tsonga. Dat expressieve, dat energieke. Float like a butterfly, sting like a bee, citeerde de NOS-verslaggever Muhammad Ali, en hij had gelijk, want zo tennist Tsonga.

Tsonga is fris als Ali was, en zoals Ali heel boos kon kijken als hij zich concentreerde, zo kan Tsonga dat ook. Na zo’n blik, die op een vreemde manier vertedert, shuffelde Ali er een hoek uit; Tsonga tovert de bal tegen de baseline.

En hoe vaak zie je een sporter nou ontspannen lachen na een geslaagde actie? ‘De GOAT deed het, en Tsonga doet het ook. Slaat een toverbal en lacht zich een kriek.

Ik heb Jo-Wilfried Tsonga nog nooit horen praten. Ja, tijdens de halve finale, toen hij de scheids meldde dat ie even naar de plee moest. Het zou mooi zijn als hij net zo sprak als Ali, die zich even ongecompliceerd, snel en positief uitte als hij in het leven stond: It's just a job. Grass grows, birds fly, waves pound the sand. I beat people up.

Zondagochtend speelt Tsonga de finale van de Australian Open. Daar treft ‘de Muhammad Ali van het tennis’ helaas niet ‘de GOAT van het tennis’. Roger Federer liet zich in de halve finale oprollen door Novak Djokovic, een Serviër die op de baan niet lacht en niet danst als een vlinder, maar wel steekt als een bij.